Afgekoeld of onderkoeld? Commissies in de Nederlandse politiek
Commissies hebben in politiek Den Haag geen goede naam. Ook toen onlangs de commissie-Davids haar bevindingen over de politieke steun aan de oorlog in Irak presenteerde, hamerden veel politici op het feit dat de commissie volgens de eisen van de democratie niet het juiste instrument was. Ondanks alle kritiek is de commissie in de Nederlandse politiek al sinds eeuwen een veel gebruikt instrument, onontbeerlijk wanneer de temperatuur weer eens te hoog was opgelopen.
Of het nu ging om onderzoek of om ingewikkelde besluitvorming, de commissie leek soms wel een politiek wondermiddel. Door deskundigen te vragen hun licht over moeilijke kwesties te laten schijnen kunnen vaak hoog opgelopen conflicten weer worden afgekoeld. Zo mocht recent de commissie-Bakker (officieel de Commissie Arbeidsparticipatie) de hete kolen uit het vuur halen nadat het kabinet met de sociale partners in aanvaring was gekomen rond het ontslagrecht. Soms koelen commissies heikele punten wel heel ver af. De huidige staatscommissie voor grondwetsherziening lijkt bijvoorbeeld vooral bedoeld om de haar toevertrouwde materie als een soort ijskast voorlopig buiten het actuele debat te houden.
In het project Grondwetscommissies 1883-1983 brengt het ING staatscommissies voor grondwetsherziening uit het verre en minder verre verleden in kaart. Wie de notulen van deze commissies - binnenkort online beschikbaar! - doorleest realiseert zich dat een beetje afkoeling soms op zijn plaats was. Toen minister-president Ch.J.M. Ruijs de Beerenbrouck begin 1919 de naar hem genoemde staatscommissie installeerde benadrukte hij bijvoorbeeld hoe deze, als gevolg van de wereldschokkende gebeurtenissen die zich rondom ons afspelen met bezadigdheid, doch gepaste snelheid aan het werk zou moeten gaan om revoluties zoals die in Duitsland en Rusland hadden plaatsgevonden te voorkomen. Terwijl Nederlandse socialisten in het openbaar deze revolutionaire dreiging levend hielden, bleek de commissie een plaats waar zij met politici van andere politieke kleuren op een zakelijke manier konden praten over staatshervormingen als het referendum. Dat de lucht vervolgens zo snel afkoelde dat er van die hervormingen niets meer terecht kwam deed aan de aanvankelijke ambities van deze commissie niets af. Meer succes had de commissie-Bos, die in 1914 was ingesteld om de controverse over de subsidiëring van het onderwijs op te lossen. Door de hoofdrolspelers uit dit debat achter de schermen samen te brengen wist deze een uniek compromis te realiseren dat bekrachtigd werd in de grondwetsherziening van 1917.
Toen in de jaren zestig het rumoer rondom het staatsbestel weer oplaaide leek er opnieuw behoefte aan afkoeling. De vraag was echter of een commissie nog wel het juiste instrument was. Zo liet een ambtenaar van minister-president P.J.S. de Jong in 1967 de waarschuwing horen dat het beter was om geen staatscommissie in te stellen: Wat gaat zon commissie namelijk doen? In beslotenheid gaan een aantal politici en deskundigen gedurende allicht enige jaren proberen overeenstemming te bereiken over een aantal vraagstukken. Op een gegeven moment komt een rapport uit en gaat de regering studeren en eventuele verdere adviezen vragen. Zulk een procedure op dit moment zou lijnrecht in strijd komen met de tot nog toe gevolgde gang van zaken, die gericht is geweest op juist openbare discussie en meningsvorming. (..) Een ander bezwaar tegen een staatscommissie is, dat de regering geen greep heeft op het tempo waarin de commissie tot resultaten komt, terwijl de regering niets kan ondernemen voordat het rapport gereed is.
Inderdaad werd, toen De Jong toch besloot een commissie in te stellen, werd deze Commissie-Cals/Donner zelf onderwerp van debat. De Tweede Kamer eiste dat de commissie, om achterkamertjespolitiek te voorkomen, slechts bestond uit deskundigen. De politici, die tot dan toe altijd in commissies hadden gezeten, moesten volgens de eisen van de democratie immers in het parlement hun besluiten nemen en verantwoorden. Voor de voorgenomen staatshervormingen betekende deze nieuwe koers geen succes. Nu de politici die elkaar in het parlement bestreden niet meer achter de schermen aan compromissen konden werken bleef het debat over vernieuwingen als de gekozen burgemeester en een nieuw kiesstelsel oververhit. De commissie had hier weinig aan kunnen veranderen.
Toch bleef de commissie een veelgebruikt instrument. Kennelijk kan ook een democratische politiek haar thermostaat niet altijd zelf regelen.
Zie ook:
- ING project grondwetscommissies
- C.W. van Leeuwen, De functie van staatscommissies voor grondwetsherziening. Regels en gebruiken in de commissies-Beel (1946) en -Van Schaik (1950-1954) (2008) via: TijdING
Karin van Leeuwen



