Gelissen, Henri Caspar Joseph Hubert (1895-1982)

 
English | Nederlands

GELISSEN, Henri Caspar Joseph Hubert (1895-1982)

Gelissen, Henri Caspar Joseph Hubert, scheikundig ingenieur en staatsman (Venlo 15-5-1895 - Wassenaar 20-5-1982). Zoon van Gerard Hubert Henri Gelissen, wiskundeleraar, en Maria Catharina Hubertina Meuskens. Gehuwd op 12-2-1920 met Wilhelmina Bernardina Martha Roos. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 2 dochters geboren. afbeelding van Gelissen, Henri Caspar Joseph Hubert

Gelissen ging, na in Venlo het progymnasium te hebben gevolgd, naar de HBS in Rolduc. In 1912 legde hij het eindexamen af. Vijf jaar later behaalde hij cum laude het diploma scheikundig ingenieur aan de Technische Hogeschool in Delft. Verdere studie volgde aan de Technische Hochschule in Charlottenburg en aan het Imperial Institute London University. Op 28 september 1925 promoveerde hij cum laude aan de Technische Hogeschool te Delft op het proefschrift: De constitutie der diacylperoxyden en hun beteekenis voor de chemische synthese (Delft, 1925). Promotor was prof. J. Böeseken, met wie hij voordien enige studies had gepubliceerd. Gelissen had intussen reeds een opvallende carrière achter de rug. In 1919 was hij privaatdocent aan de TH geworden. Hij stond aan het hoofd van een door hem opgericht laboratorium voor de bereiding en toepassing van aniline kleurstoffen. Een jaar later trad hij in dienst van de NV Industriële Maatschappij v/h Noury en Van der Lande in Deventer. Voor deze maatschappij werden onder zijn leiding fabrieken voor de bereiding van organische peroxyden in Coswig (Anhalt) en in Buffalo gebouwd.

Na zijn promotie werd Gelissen directeur van de door hem opgerichte NV Electrochemische Industrie te Roermond, behorende tot het Noury en Van der Lande-concern. Het was het eerste grotere elektrochemische bedrijf in Nederland. Ondanks zijn drukke werkzaamheden in het bedrijfsleven gaf Gelissen nog onderricht eerst op een gymnasium en een HBS in Katwijk a/d Rijn, later aan de RK Leergangen in Tilburg, aan de TH in Delft en de RK Handelshoogeschool in Tilburg (later genoemd Katholieke Economische Hoogeschool). Aan de laatste instelling werd hij in 1930 benoemd tot buitengewoon hoogleraar in de chemische technologie.

Grote naam heeft Gelissen vooral verworven als directeur van de NV Provinciale Limburgsche Electriciteitsmaatschappij (PLEM) (1930-1966). Deze functie heeft hij tijdelijk moeten neerleggen, toen hij in 1935 minister van Economische Zaken werd. Als directeur van de PLEM heeft Gelissen zich bijzonder ingezet voor industrialisering van Limburg. Als voorstander van het economische regionalisme bevorderde hij de oprichting van een Economisch Technologisch Instituut in Limburg, een initiatief dat door andere provincies werd overgenomen, en daarna de oprichting van de NV Industriebank voor Limburg. Beide instellingen moesten de industrie in Limburg stimuleren, maar Gelissen heeft daarbij steeds vooral gedacht aan het scheppen van de werkgelegenheid. In 1931 riep Gelissen te zamen met A. Philips de stichting 'Fonds ter bevordering van de studie over het recht van industrieel eigendom in het leven met het doel op internationaal niveau het octrooiwezen te verbeteren'. Deze stichting, waarvan Gelissen lange tijd voorzitter was, verwierf een bijzondere leerstoel aan de Technische Hogeschool te Delft en één aan de Rijksuniversiteit te Utrecht.

Na een conflict tussen minister M.P.L. Steenberghe en de voorzitter van de ministerraad H. Colijn over de doorvoering van de devaluatie van de Nederlandse gulden, aanvaardde Gelissen op 6-6-1935 de benoeming tot minister van Economische Zaken als opvolger van Steenberghe, daarmee als minister van de Roomsch-Katholieke Staatspartij (RKSP) de politieke verhoudingen binnen het kabinet handhavend. Hij ging akkoord met de monetaire politiek van het kabinet, mits dit verlaging van vaste lasten en de oprichting van een industriebank zou meebrengen. Inderdaad werd door de wet van 18 juli 1936 (Stbl. 634) de Centrale Industriebank in het leven geroepen. De Industriebank groeide na 1945 uit tot Herstelbank, later Nationale Investeringsbank genoemd. Als minister riep Gelissen voorts de Economische Voorlichtingsdienst in het leven, stichtte hij het Centraal Economisch Technologisch Instituut, dat t.a.v. de provinciale Economische Technologische Instituten coördinerend optrad, en bevorderde de bouw van het passagiersschip de Nieuw Amsterdam voor de Holland-Amerika Lijn.

Na de reconstructie van het kabinet-Colijn in juli 1935 werd het departement van Economische Zaken in augustus gesplitst in een departement van Handel, Nijverheid en Scheepvaart onder Gelissen en een departement van Landbouw en Visserij onder L.N. Deckers. Beide ministers werden goede vrienden en stonden al spoedig bekend als de Haagse tweeling. Samen maakten zij belangrijke reizen naar het buitenland met het doel om de internationale economische betrekkingen te bevorderen. Opvallend waren hun reizen naar de Scandinavische landen, waarbij zij zich ten doel stelden de zg. Oslogedachte meer ingang te doen vinden. Op 22 december 1930 was er nl. in Oslo een verdrag tot stand gekomen tussen Nederland, België, Luxemburg en de Scandinavische landen, waarbij deze landen zich bereid hadden verklaard niet tot verhoging van hun tarieven over te gaan zonder rekening te houden met elkaars belangen. In deze geest wilden ze niet alleen economische maar ook politieke samenwerking tussen de kleinere neutrale Westeuropese staten stimuleren.

Ook na zijn aftreden op 24-6-1937 als minister zou Gelissen, die had geweigerd een door de RKSP aangeboden kamerzetel te aanvaarden, de idee van een Nederlands-Belgisch-Luxemburgse Economische Unie lanceren, een idee die ten slotte na de oorlog vrucht droeg in de oprichting van de Benelux (3-2-1958). In de laatste jaren vóór het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, was Gelissen, behalve directeur van de PLEM, reservemajoor voor speciale diensten bij de generale staf. In die jaren hield hij zich tevens intensief bezig met de verbetering van het octrooiwezen. In 1938 werd hij in Praag gekozen tot voorzitter van de Association internationale pour la Protection de la Propriété Industrielle. In 1939 werd hij voorzitter van de Nederlandse Kamer van Koophandel voor Duitsland. Toen de oorlog uitbrak, weigerde hij Nederland te verlaten, omdat naar zijn mening een man op een verantwoordelijke plaats in alle omstandigheden op zijn post dient te blijven. Principieel wees hij zowel het Duitse militarisme als het nationaal-socialisme van de hand. Ten gevolge daarvan werd hij enige tijd in Haaren gegijzeld. In 1943 werden op last van de Duitsers de kantoren van de Nederlandse Kamer van Koophandel voor Duitsland gesloten. In het geheim bereidde hij in die jaren de oprichting voor van de NV Samenwerkende Electriciteits-Productiebedrijven.

Na de oorlog zou Gelissen in talrijke functies van overheids- of particuliere organisaties voor de economische belangen van zijn land opkomen. Als leider van de Nederlandse delegatie bij het Agence Interalliée des Réparations (1947-1955) verdedigde hij het standpunt dat de Duitse binnenschepen niet onder de herstelbepalingen zouden moeten vallen, omdat deze schepen nodig waren voor de wederopbouw van het economische leven in Duitsland, van eminent belang voor het economische herstel van Nederland. Om dezelfde reden bevorderde hij de heroprichting van de Nederlands-Duitse Kamer van Koophandel in 1946 (in 1956 op zijn voorstel hervormd tot één handelskamer voor Nederland en Duitsland, waarvan het bestuur paritair wordt gevormd door Nederlanders en Duitsers). Van 1958 tot 1963 was hij vice-voorzitter van het verzorgingsagentschap van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie. Jarenlang was hij voorzitter van de Algemene Nederlandse Vereniging voor Vreemdelingenverkeer en commissaris van vele vennootschappen. Op initiatief van Gelissen werd in 1955 te Parijs de Union internationale d'Electrothermie in het leven geroepen. Gelissen werd daarvan erevoorzitter, omdat hij in 1932 het Nederlandsch Instituut voor Electrowarmte en Electrochemie had opgericht, een voorbeeld dat daarna in 24 andere landen navolging had gevonden. Bedoeling van dit instituut was de oprichting van elektrochemische en elektrothermische industrieën te bevorderen, voor zover economisch verantwoord.

Kenmerkend was voor Gelissen zijn 'Stiftungsdrang'. Ofschoon hij op wetenschappelijk gebied meer dan verdienstelijk werk leverde en eredoctoraten in Leuven, Aken, Grenoble en Gent ontving heeft hij meer in de praktijk actief willen zijn. Gelissen had een zeer humaan karakter. Pessimisme was hem vreemd. Zijn bourgondische leefwijze was algemeen bekend. Ook al is hij een aantal jaren minister geweest voor de RKSP een echte partijpoliticus werd hij nooit. In de jaren van zijn ministerschap werden Gelissen en zijn vriend Deckers wel eens 'kruisridders' genoemd. 'Dat het hun bij die reizen om onderscheidingen te doen zou zijn geweest is vanzelfsprekend een dwaze veronderstelling, maar weinigen zullen zoveel onderscheidingen in hun leven ontvangen hebben als Gelissen.

A: Documenten van Gelissen in familiebezit Gelissen.

P: Bibliografie in Werk en Streven van Prof.Dr.Ir. H.C.J.H. Gelissen (Maastricht, 1960), waarvan speciale vermelding: Bijdrage tot de wederopbouw der Nederlands-Duitse betrekkingen ('s-Gravenhage,1950).

L: Prof.Dr.Ir. H.C.J.H. Gelissen, zeventig jaar, 15 mei 1965 [Onder red. van G.M.J. Veldkamp et al.] (Maastricht, 1965); J.P. Gribling, 'Het actieve leven van oud-minister Gelissen', in Politiek Perspectief 4(1975) 2 (maart-april) 3-19.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 515.

J.P. Gribling


Bovenstaande biografie weerspiegelt de stand van het onderzoek tot aan het jaar van publicatie in het gedrukte deel van het BWN. Dit jaar is hieronder weergegeven. Alle daarna verschenen literatuur is niet in de tekst verwerkt en wordt evenmin vermeld in de literatuuropgave (onder L).

Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013