Everdingen, Ewoud van (1873-1955)

 
English | Nederlands

EVERDINGEN, Ewoud van (1873-1955)

Everdingen, Ewoud van, meteoroloog (Delft 26-2-1873 - Amersfoort 17-7-1955). Zoon van Ewoud van Everdingen, hoofd van een openbare school, en Geertruida Maria Hardenberg. Gehuwd op 15-12-1908 met Maria Johanna Pronk. Uit dit huwelijk werden 4 dochters geboren. afbeelding van Everdingen, Ewoud van

Van Everdingen behaalde, na de HBS te Delft te hebben doorlopen (1885- 1889), het eindexamen gymnasium te Delft. Intussen had hij zich als toehoorder laten inschrijven op de Polytechnische School. In 1891 ving hij de studie wis- en natuurkunde aan te Leiden, waar hij op 7 juli 1897 bij H. Kamerlingh Onnes promoveerde op het proefschrift Metingen over het verschijnsel van Hall en de toename van den weerstand in het magnetisch veld. In 1895 en van 1897 tot 1902 was Van Everdingen assistent van Kamerlingh Onnes op het Leidse natuurkundig laboratorium en van 1900 tot 1910 privaatdocent in de natuurkunde. Op 1 januari 1903 trad hij in dienst van het Koninklijk Nederlandsch Meteorologisch Instituut (KNMI) in De Bilt als directeur van de eerste afdeling (waarnemingen te land). Toen de hoofddirecteur, C.H. Wind, in 1905 tot hoogleraar aan de Utrechtse universiteit werd benoemd, werd Van Everdingen waarnemend hoofddirecteur van het KNMI. In 1907 volgde zijn benoeming tot hoofddirecteur, welke functie hij in juli 1938 neerlegde.

Een van de eerste maatregelen van de nieuwe hoofddirecteur was splitsing van de KNMI van twee in vijf afdelingen. De Algemeene Dienst bleef onder de hoofddirecteur, terwijl de weerdienst, de klimatologie, de maritieme meteorologie met de oceanografie, en het aardmagnetisme met de seismografie een eigen directie kregen. Van Everdingen was een van die fysici uit het begin van deze eeuw die zich ook met de weerdienst gingen bezighouden. Hij stelde nauwkeurige omschrijvingen vast van tot dan toe in de meteorologie vrij subjectief gehanteerde begrippen. Hij meende voorts dat iedere dag alle meteorologische elementen in de weersverwachting moesten worden opgenomen. Zijn grootste belangstelling ging uit naar onweersverschijnselen, de waarneming van de bewolking en de elektriciteit in de dampkring. Hierbij was hij in het bijzonder geïnteresseerd in de zg. halo-verschijnselen als aankondiging van slecht weer.

Ondertussen was hij in 1910 benoemd tot buitengewoon hoogleraar in de meteorologie, klimatologie en oceanografie aan het nieuwe Geographisch Instituut van de Utrechtse Universiteit. Hij aanvaardde dit ambt op 17 oktober 1910 met de oratie De derde afmeting in de weerkunde. Hij wees hierin op de noodzakelijkheid van waarnemingen in de bovenlucht, lang voordat de luchtvaart eisen op dit gebied ging stellen. Zodra dit mogelijk was gaf hij steun aan de onderzoekingen van de hogere luchtlagen met behulp van ballons, vliegers en vliegtuigen. Veel van zijn wetenschappelijke publikaties verschenen in de Mededeelingen en verhandelingen van het KNMI, waaronder 'Oberflächentemperaturbeobachtungen in der Nordsee' (1906, 1910), 'Drachenbeobachtungen an Bord I. Ms. Pantzerschiff "de Ruyter"...' (1911) en 'Ueber die Ausbreitung des Schalles bei der Versuchssprengung in Oldebroek am 28. Oktober 1922' (1929). De laatste studie verschafte hem de gegevens die de inversie van de stratosfeertemperaturen op grote hoogte bevestigden. Op het gebied van de landbouwmeteorologie onderzocht hij de gevreesde aardappelziekte (1924, 1935), waarvan de veroorzaker zich enige dagen na een korter of langer tijdvak van hoge temperatuur en vochtigheid ontwikkelt. In samenwerking met de landbouwautoriteiten werden plannen beraamd om bepaalde plantenziekten te bestrijden door te waarschuwen voor weersomstandigheden die gunstig zijn voor het optreden van deze ziekten.

Naast zijn werkzaamheden als hoofddirecteur van het KNMI en zijn hoogleraarschap heeft Van Everdingen veel gedaan voor de opbouw van de internationale meteorologische samenwerking na de Eerste Wereldoorlog. Vanaf 1910 was hij lid, vanaf 1919 secretaris en van 1923 tot 1935 voorzitter van het Internationaal Meteorologisch Comité het uitvoerend orgaan van de Internationale Meteorologische Organisatie, dat toen in De Bilt was gevestigd. In deze functies had Van Everdingen grote internationale invloed. Het tot stand komen van een permanent secretariaat van de Internationale Meteorologische Organisatie is voor een groot deel zijn werk geweest. Onder zijn voorzitterschap vond het Tweede Internationaal Pooljaar plaats (1932/1933). Als voorzitter van een internationale commissie bereidde hij een Nederlandse deelneming aan het pooljaar voor met een magnetischmeteorologisch station op Groenland en een aerologisch station voor vliegtuigwaarnemingen op IJsland.

Van Everdingen, die een grote werkkracht aan diplomatieke talenten paarde, was een centrale figuur in de nationale en internationale wereld van de meteorologie. Deze bescheiden en sterk religieuze geleerde zag zijn verdiensten in binnen- en buitenlandse onderscheidingen, alsmede door zijn lidmaatschap, vanaf 1921, van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen gevestigd te Amsterdam, erkend.

A: Stukken van en over Van Everdingen in archief-KNMI in het Rijksarchief te Utrecht.

P: Behalve in de tekst genoemde publikaties en artikelen in Hemel en dampkring: Wolken, weer en winden ('s-Gravenhage, 1942); Algemene klimatologie ('s-Gravenhage, 1949); C.H.D. Buys Ballot, 1817- 1890 ('s-Gravenhage, 1953).

L: Behalve herdenkingsartikelen in Hemel en dampkring 33 (1935) 397-403; ibidem 36 (1938) 133-148; ibidem 41 (1943) 65-67 en necrologieën van H.G. Cannegieter, in Hemel en dampkring 53 (1955) 189-191, H.P. Berlage, in Jaarboek [der] Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1955-1956, 213-217, W. Bleeker, in Tijdschrift van het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap te Amsterdam 2e reeks 72 (1955) 390 - 391 en [red.] in Meteorologische Rundschau 8 (1955) 11/12 (nov./dec.) 177: Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut 1854-1954 ('s-Gravenhage, 1954).

I: Jaarboek [der] Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1955-1956 (Amsterdam 1956) afbeelding tegenover pagina 213.

H.A.M. Snelders


Bovenstaande biografie weerspiegelt de stand van het onderzoek tot aan het jaar van publicatie in het gedrukte deel van het BWN. Dit jaar is hieronder weergegeven. Alle daarna verschenen literatuur is niet in de tekst verwerkt en wordt evenmin vermeld in de literatuuropgave (onder L).

Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013