Jong van Beek en Donk, Cécile Wilhelmina Elisabeth Jeanne Petronella de (1866-1944)

 
English | Nederlands

JONG van BEEK en DONK, Cécile Wilhelmina Elisabeth Jeanne Petronella de, vooral bekend als Cécile Goekoop-de Jong van Beek en Donk (geb. Alkmaar 19-5-1866 – gest. Méréville, Frankrijk 15-6-1944), feministe en schrijfster. Dochter van Johan Jan François de Jong van Beek en Donk (1834-1890), procureur-generaal, en Anna Cecile Wilhelmina Jeannette Jacqueline gravin Nahuys (1826-1905). Cécile de Jong van Beek en Donk trouwde (1) op 25-8-1890 in Rosmalen met Adriaan Eliza Herman Goekoop (1859-1914), jurist; (2), na echtscheiding (26-10-1899 in Amsterdam) op 28-5-1904 in Parijs met Michel Frenkel (1860-1934), chemicus. Uit huwelijk (2) werd 1 zoon geboren. 

Cécile groeide op met een oudere broer (Jan Olphert) en een jongere zus (Elsa). Het decor van haar kinderjaren wisselde met de rechterlijke promoties van haar vader, jonkheer Jan de Jong van Beek en Donk: officier van justitie te Brielle in 1866, advocaat-generaal te Zwolle in 1869, procureur-generaal in Den Bosch in 1878. Vanaf haar tienerjaren woonde Cécile in Hintham. Ze kreeg er huisonderwijs van een Zwitserse gouvernante en haalde na zes jaar een middelbare akte Frans. Moeder Anna Nahuys – gravin en begaafd schilderes – bracht haar dochters een elitaire kunstopvatting bij. De meisjes reisden naar Bayreuth, waar Cosima Wagner hen ontving. Tegelijk werden ze door hun ouders doordrongen van de maatschappelijke missie van de aristocratie. Vader, links-liberaal, riep het Comité ter Bespreking van de Sociale Kwestie (1870-1880) in het leven. Zijn vrouw verdedigde, als mede-oprichtster van Arbeid Adelt, het recht op betaald werk voor de vrouw uit de hogere stand.

In 1890 aanvaardde Cécile de Jong het huwelijksaanzoek van de Haagse grondspeculant Adriaan Goekoop, na slechts twee weken ‘hofmakerij’. Kort voor hun trouwen stierf plots haar geliefde vader. Als jonggehuwde voelde Cécile Goekoop-de Jong zich verweesd in het magistrale pand aan de Laan van Meerdervoort (een straat die grotendeels Goekoops persoonlijke bezit was). Ze zocht compensatie in wereldverbeterende projecten; vermoedelijk werd het huwelijk nooit geconsummeerd. In 1892 richtte zij met haar zus de Bond ter Bestrijding eener Gruwelmode op, tegen het doden van vogels voor vestimentaire opsmuk. Zo deed ze haar eerste ervaringen op als organisatrice, netwerkster en activiste.

Feminisme

Na de vogelbescherming richtte Cécile Goekoop-de Jong zich op de vrouwenemancipatie, een logische stap: de ijdelheid van vrouwen uit de hogere stand kwam volgens haar voort uit de leegheid van hun bestaan door gebrek aan arbeid. Tijdens een rondreis met haar man door Amerika in 1893 bezocht zij op de Wereldtentoonstelling van Chicago de Woman’s Building, waar een overzicht werd gegeven van vrouwenarbeid in de wereld. Terug in Den Haag wijdde ze zich aan het opzetten van een soortgelijke tentoonstelling – eerst als gewoon bestuurslid, later als presidente. Twee jaar lang was Cécile Goekoop-de Jong de drijvende kracht achter de organisatie die de tentoonstelling voorbereidde en haar huis aan de Laan van Meerdervoort het zenuwcentrum. In diezelfde tijd schreef ze een tendensroman over de vrouwenkwestie. Beide projecten bereikten bijna gelijktijdig hun voltooiing en werden in de publieke opinie als onlosmakelijk gezien: toen de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid in de zomer van 1898 bijna honderdduizend bezoekers trok, hadden velen van hen Hilda van Suylenburg (1897) al gelezen.

De emancipatieroman van Cécile Goekoop-de Jong verhaalt van de ontworsteling van een jonge freule (opgevoed in Brabant door een progressieve aristocraat, na diens dood beland in Den Haag) aan de wurggreep van het societyleven, de fatsoensnormen, en de daaruit voortkomende hysterie of depressie. Hilda wordt gered door een dokteres die haar clientèle geen morfine of afleiding voorschrijft, maar arbeid en nut. De lezer volgt haar op ziekenbezoek, in chique boudoirs en in sloppenwijken. Zo rijgen zich vele tragische vrouwenlevens aan elkaar. De roman hekelt de slappe Eline Vere-mentaliteit – waartegen alleen het kruid van het feminisme is gewassen – en de Nederlandse wetten en gewoonten: het huwelijks-, echtscheidings- en voogdijrecht, het sociale isolement van vrouwen en hun nog altijd beperkte toegang  tot onderwijs en studie. Op de laatste bladzijden is Hilda gepromoveerd juriste en gelukkig getrouwd met een socialistische aristocraat. Zij geeft haar dochtertje de borst terwijl zij werkt aan een brochure over vrouwenvakverenigingen.

Zo groot was de maatschappelijke impact van het boek van Goekoop-de Jong dat critici het al snel de Nederlandse Negerhut van oom Tom noemden. Een twintigtal brochures werd aan de roman gewijd, de Tweede Kamer sprak erover, moeders gaven hun pasgeborene de voornaam Hilda. Vier drukken verschenen binnen het jaar, de Duitse vertaling (1906, door Else Otten) haalde tien drukken. De deining bereikte de schrijfster van een afstand: direct na de tentoonstelling had echtgenoot Adriaan Goekoop – de belangrijkste sponsor van het evenement – haar het huis uit gezet. Toen ook haar trouwe kompaan Elsa, intussen getrouwd met de componist Alphons Diepenbrock, Cécile verzocht het feminisme af te zweren ter wille van de echtelijke vrede, besloot ze naar Parijs te emigreren. De echtscheiding werd eind 1899 uitgesproken. Haar alimentatie (ruim vijfhonderdduizend gulden uitbetaald over 44 jaar) besteedde Cécile de Jong uitsluitend aan mecenaat en goede doelen.

Tweede leven in Frankrijk

Na de eeuwwisseling werkte Cécile de Jong als correspondente in Frankrijk voor de Nieuwe Courant. Van 1901 tot 1903 had zij een gepassioneerde vriendschap met de beeldhouwer Émile-Antoine Bourdelle. In 1904 trouwde ze met Michel Frenkel, een Pools-Russische Jood en de weduwnaar van haar in het kraambed gestorven nicht Ada van Thielen (1870-1903), die ook in Parijs woonde. Het paar trouwde onder de Russische huwelijkswet omdat deze de vrouw op gelijke voet met de man stelde en nam nog vóór de geboorte van zoon Pierre-Michel in 1905 de Franse nationaliteit aan. Beiden onderhielden contacten met Nederlandse en Oost-Europese immigranten in Parijse kunstenaarskringen. Dit milieu schetst Cécile de Jong van Beek en Donk in Lilia (1907), een roman over de verstoting van een ongehuwde moeder: opnieuw een vlammend protest tegen maatschappelijke hypocrisie, maar door stijl en psychologische analyse een rijpere roman dan de pamflettaire Hilda.

Diep geschokt door de Eerste Wereldoorlog bekeerde De Jong zich tot het katholicisme en werd vurig aanhangster van de monarchistische, antisemitische beweging Action Française. Van haar radicale ommekeer getuigt haar bekeringsroman Bij de waskaarsen (1930). Het motief van het lijden, al aanwezig in de eerdere romans, werkt ze hier in katholieke zin uit. In een noot spreekt de auteur haar spijt uit over haar pleidooi voor betere echtscheidingswetten in Hilda – ze noemt het geschreven vanuit een verwerpelijk hedonisme.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog steunde Cécile de Jong van Beek en Donk het collaborerende regime van maarschalk Pétain in Vichy. Zij stierf op 15 juni 1944 aan een hartaanval, een week na de invasie van de geallieerden. Ze werd 78 jaar. Haar laatste geschreven woorden, op het vloeiblad op haar bureau, luiden: ‘Les misérables ont débarqué!’

Betekenis

In augustus 1898, nog tijdens de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid, werd Cécile Goekoop-de Jong van Beek en Donk benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. Ze gold toen als de meest invloedrijke Nederlandse feministe. Deze invloed is te verklaren uit haar werkkracht en organisatietalent én uit haar financiële mogelijkheden, via het fortuin van haar (ex-)man. Ook haar sterke wil om diverse stromingen binnen de vrouwenbeweging tot een consensus te brengen, speelde een belangrijke rol: De Jong stelde zich om strategische redenen graag gematigd radicaal op. In Hilda meed ze heikele onderwerpen als concubinaat, lesbische liefde of anticonceptie; zelfs de term feminisme liet ze weg, om niet het spookbeeld van manwijven en anarchisten op te roepen. Zo kon zij een brede groep vrouwen (en mannen) uit de hogere en middenklasse mobiliseren. Toch was niet iedereen van haar gecharmeerd. Vanwege haar burgerlijk feminisme noemde de sociaal-democrate Henriette Roland Holst haar een verraadster van de vrouw van het volk.

Door haar emigratie naar Frankrijk had De Jong na 1900 geen sturende rol meer in de Nederlandse vrouwenbeweging. Als journaliste liet ze zich niet voorstaan op haar feminisme. Bij haar laatste publieke optreden in Nederland, op de Tentoonstelling De Vrouw 1813-1913, werd ze in het zonnetje gezet om haar (toen al) historische betekenis.

Naslagwerken

BWN; BWSA.

Publicaties

Behalve de in het lemma genoemde titels en tal van journalistieke publicaties:

  • ‘De tentoonstelling van vrouwenarbeid 1898’, in: C.M. Werker-Beaujon e.a. red., De vrouw, de vrouwenbeweging en het vrouwenvraagstuk. Encyclopædisch handboek, deel 2 (Amsterdam 1918) 306-325.

Literatuur

  • Eduard Reeser red., Alphons Diepenbrock. Brieven en documenten, 10 delen (Den Haag 1962-1998).
  • Tessel Pollmann, ‘Inleiding’ en ‘postscriptum’, in: Cécile Goekoop-de Jong van Beek en Donk, Hilda van Suylenburg (Amsterdam 1984) 3-19.
  • Irene van Geest-Jacobs en Maarten Klein, ‘Couperus en de Vrouwenquestie’, De Nieuwe Taalgids 78 (1985) 127-136.
  • Fia Dieteren, ‘Strijd om Hilda. Discussie over vrouwenarbeid naar aanleiding van de tendensroman Hilda van Suylenburg (1897)’, in: Boudien de Vries e.a. red., De kracht der zwakken. Studies over arbeid en arbeidersbeweging in het verleden. Opstellen aangeboden aan Theo van Tijn (Amsterdam 1992) 391-404.
  • Mineke Bosch, Het geslacht van de wetenschap. Vrouwen en hoger onderwijs in Nederland 1878-1948 (Amsterdam 1993) 111-132.
  • Mineke Bosch, ‘Honderd jaar Hilda van Suylenburg. Een tendentieuze geschiedenis’, Armada 3 (1997) nr. 9, 99-111.
  • Marianne Braun, ‘“Het recht even goed te leven als een man”. Hilda van Suylenburg: tekst en context van een emancipatieroman’, Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis 24 (1998) 209-234.
  • Fia Dieteren, ‘Twee levens, twee geloven. Feminisme en katholicisme in de levens van Elisabeth en Cecile de Jong van Beek en Donk’, Jaarboek voor Vrouwengeschiedenis 18 (1998) 35-58.
  • Lizet Duyvendak, ‘Honderd jaar “Hilda”. Een negentiende-eeuwse feministische bestseller’, Literatuur. Tijdschrift over Nederlandse Letterkunde 15 (1998) 17-23.
  • Maria Grever en Berteke Waaldijk, Feministische openbaarheid. De Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid in 1898 (Amsterdam 1998).
  • Fia Dieteren, ‘Vogels en vrouwen. Over de relatie tussen vrouwenbeweging en vogelbescherming omstreeks 1900’, Historica 21 (1998) nr. 4, 3-5.
  • Marianne Braun, ‘Vrouwenleven’,  in: Jan Bank en Martin van Buuren, 1900. Hoogtij van burgerlijke cultuur (Den Haag 2000) 503-521, 591-593.
  • Elisabeth Leijnse, Cécile en Elsa. Strijdbare freules (Amsterdam 2015).
  • Elisabeth Leijnse, ‘Van dochter naar moeder. Modellen in de feministische roman Hilda van Suylenburg (1897) van Cécile de Jong van Beek en Donk’, Extaze 19 (2016) nr. 3, 26-35.

 

Illustratie

Cécile Goekoop-de Jong van Beek en Donk. Fotocollectie Diepenbrock, ca. 1895-1925 (Rijksmuseum Amsterdam).

Auteur: Elisabeth Leijnse

Biografienummer in 1001 Vrouwen: 811

laatst gewijzigd: 19/10/2017

De datum onder dit biografisch lemma geeft aan wanneer er voor het laatst aanvullingen en/of correcties in het stuk zijn doorgevoerd. Met ingang van 2023 is het project afgesloten.