Motte, Marie Jonas de la (1627-na 1683)

 
English | Nederlands

MOTTE, Marie Jonas de la (ged. Delft 14-11-1627 – gest. na 1683), prostituee, hoerenwaardin en schildersmodel. Dochter van Jehan de la Motte, soldaat, en Elisabeth Habert. Maria de la Motte trouwde (1) op 21-9-1651 in Amsterdam met Robbert Joris Toonsz. (1629-ca. 1652), hoedenmaker; (2) op 24-9-1653 in Amsterdam met Meijndert Pietersz. (1627-?), kuipersgezel; (3) met NN van Beeck. Over kinderen uit deze huwelijken is niets bekend.

Het levensverhaal van Marie de la Motte werd in 2002 verteld op de tentoonstelling Liefde te koop. Vier eeuwen prostitutie, in het Amsterdams Historisch Museum. Uit de rechterlijke archieven van Amsterdam blijkt dat deze prostituee en hoerenwaardin afkomstig was uit Delft. Haar vader Jehan de la Motte verdiende daar de kost als soldaat en was in 1626 getrouwd met Elisabeth Habert. Een jaar later werd Maria geboren. Tussen 1627 en 1647 volgden nog ten minste zeven kinderen, die De la Motte van zijn soldij moest onderhouden. Op jeugdige leeftijd is Marie naar Amsterdam vertrokken, waar zij woonde op de Anjeliersgracht. Op 24 september 1651 huwde zij de hoedenmaker Robbert Toonsz., afkomstig uit Westervoort.

Het is niet bekend wanneer precies Marie de la Motte in de prostitutie belandde. Bij haar arrestatie in een bordeel in november 1652 bekende zij tegenover de Amsterdamse schepenen dat zij hiervoor al eerder opgepakt was geweest. Ze kreeg te horen dat ze in het Spinhuis zou worden opgesloten als zij ooit opnieuw op ‘oneerlijke plaatsen’ aangetroffen zou worden. Haar echtgenoot moet binnen twee jaar na hun huwelijk zijn overleden, want op 21 september 1653 hertrouwde Marie de la Motte met de Duitse kuipersgezel Meijndert Pietersz., met wie zij aan de armoedige Goudsbloemgracht (nu: Willemsstraat) woonde. Behalve als prostituee en wolmutsenmaakster verdiende ze in deze tijd ook geld als model voor de schilder Dirck Bleker. Tussen 1651 en 1657 bezocht hij met zijn vriend Bartholomeus Blijdenberch het bordeel van De la Motte. Diezelfde Blijdenberch liet Bleker een schilderij maken van de bijbelse Maria Magdalena, waarvoor De la Motte model stond. Mogelijkerwijs is zij tevens afgebeeld op Blekers schilderijen van de mythologische Danaë en Venus, waarvan de huidige verblijfplaats onbekend is (Dudok van Heel, 218-219).

In september 1659 moest De la Motte weer voor de Amsterdamse schepenen verschijnen. Zij had amok gemaakt voor het huis van een klant of minnaar, waarbij zij een mes zou hebben getrokken. De zaak kwam bij de schout terecht, maar de afloop is onbekend. Zes jaar later verscheen ze opnieuw voor het gerecht, ditmaal als de hoerenwaardin ‘Mary Jonas van Beeck, alias juffrouw La Mot’. Met welke Van Beeck zij was gehuwd, is onbekend. Bij haar thuis waren drie ‘lichtvaardige vrouwlui’ met twee mannelijke klanten betrapt. De la Motte ontkende, maar zij werd twee jaar uit de stad verbannen en moest de boetes van haar meisjes betalen.

In november 1673 stond De la Motte weer voor het gerecht. Opnieuw opereerde zij als hoerenwaardin, ditmaal vanuit haar huis op de Oudezijds Achterburgwal. Deze activiteiten leverden haar een half jaar banstraf op. Na klachten over oneerlijk huishouden moest zij zich in 1683 alweer voor schepenen verantwoorden. Nogmaals beloofde ze haar leven te beteren; dit keer werd ze zonder straf vrijgelaten. Hierna ontbreekt ieder spoor van De la Motte in de gerechtelijke stukken. Op de rond 1680 opgestelde lijst van ‘Camernymphies en speelhuizen’ staat een Marij la Motte op de Zeedijk. Volgens Lotte van de Pol gebruikten verschillende vrouwen in de prostitutie toentertijd de bijnaam La Mot, onder wie de hoerenwaardin Maria van Beeck. Aan de hand van de opgegeven leeftijd en geschiedenis van eerdere veroordelingen valt echter af te leiden dat dit één en dezelfde Marie de la Motte moet zijn geweest.

Archivalia

  • Gemeentearchief Delft: DTB, Dopen, inv. nr. 95, 10v [Maria de la Motte, d.d. 14-11-1627].
  • Stadsarchief Amsterdam: toegang 5061 (Archieven Schout en Schepenen), inv. nr. 582 (Justitieboeken), 262r; inv. nr. 585 (idem), 81v; inv. nr. 588 (idem), 166v; inv. nr. 316 (Confessieboeken), 316r; inv. nr. 327 (idem), 194r.

Literatuur

  • S.A.C. Dudok van Heel, ‘Het “gewoonlijck model” van de schilder Dirk Bleker’, Bulletin van het Rijksmuseum 29 (1981) 214-220.
  • Lotte C. van de Pol, Het Amsterdams hoerdom. Prostitutie in de zeventiende en achttiende eeuw (Amsterdam 1996) bijlage II, 360, noot 2.

Illustratie

‘De boetvaardige Maria Magdalena’ door Dirck Bleker, 1651 (Rijksmuseum Amsterdam).

Auteur: Maarten Hell

laatst gewijzigd: 13/01/2014

De datum onder dit biografisch lemma geeft aan wanneer er voor het laatst aanvullingen en/of correcties in het stuk zijn doorgevoerd. Met ingang van 2023 is het project afgesloten.