Tussen 1851 en 1856 publiceerde de theoloog/kerkhistoricus Barend Glasius (1805-1886) zijn biografisch woordenboek 'Godgeleerd Nederland'. Hij schreef dit naslagwerk naast zijn werkzaamheden als predikant van Geertruidenberg, waar hij van 1836 tot 1879 heeft gestaan. Glasius was aanvankelijk voorbestemd voor de zeevaart, maar koos voor de studie theologie toen zijn grootvader van moeders kant in 1817 stierf. Deze J. van Nuys Klinkenberg, bij leven hoogleraar aan het Amsterdamse Atheneum, had bepaald dat hij zijn aantekeningen naliet aan de kleinzoon die theologie ging studeren; als niemand zich aandiende, moesten zijn aantekeningen vernietigd worden. Of Glasius deze aantekeningen heeft kunnen gebruiken voor zijn 'Godgeleerd Nederland', is niet duidelijk.
In de Voorrede van het eerste deel in 1851 schrijft Glasius dat hij zich 'sints lang' met de samenstelling van zijn naslagwerk 'onledig' heeft gehouden. Hij heeft zich beperkt tot hen 'die zich in hunnen tijd bijzonder verdienstelijk hebben gemaakt' op het gebied van de godgeleerde wetenschappen, zowel katholieken als protestanten. Glasius ging alfabetisch te werk: deel 1 (1851) loopt van Dirk van Abcoude tot Johannes Gysius, deel 2 (1853) van Petrus Haack tot Jacobus NyIoë, en deel 3 (1856) van Willem Antonie Ockerse tot Otto van Zyl.
In totaal bevat 'Godgeleerd Nederland' bijna duizend (991) lemmata. Aan het slot van deel 3 geeft Glasius een lange lijst met aantekeningen, aanvullingen en correcties (pp. 649-689). Bij het verschijnen van deel 1 was er kritiek op de keuze van de personen en het ontbreken van literatuur. Als verzachtende omstandigheid werd aangevoerd dat er geen wetenschappelijke bibliotheek was in de omgeving van Geertruidenberg. In 1978 noemde de redactie van het Biografisch Lexicon van het Nederlands Protestantisme zijn werk 'te enenmale verouderd'.



