rss Linkedin Twitter Facebook Newsfeed

Geschiedenis der Vaderlandsche Schilderkunst

Tussen 1816 en 1840 verschenen de vier delen van de Geschiedenis der vaderlandsche schilderkunst van Roeland van Eynden (1747-1819) en Adriaan van der Willigen (1766-1841). Het project was bedoeld als voortzetting van de naslagwerken van Arnold Houbraken en Johan van Gool. Het ging de samenstellers vooral om het beschrijven van eigentijdse kunstenaars. Toch is er in de Geschiedenis der vaderlandsche schilderkunst ook veel informatie te vinden van oude kunstenaars. Van Eijnden en Van der Willigen wilden namelijk ook het werk van hun voorgangers corrigeren en aanvullen. Zo zijn deel 1 en 2 geheel gewijd aan kunstenaars van voor 1800.

De biografieën zijn chronologisch geordend, op jaar van geboorte. Het werk draagt tegelijk sterk de trekken van 'work in progress', want in diverse afdelingen worden steeds aanvullingen gegeven op eerder werk. Deel 4, dat ruim twintig jaar na de dood van Van Eynden en dus geheel op naam van Van der Willigen geschreven kan worden, is een 'aanhangsel' op de eerste drie delen. In totaal staat er ruim 1500 kunstenaars in Geschiedenis der vaderlandsche schilderkunst. Bij het verzamelen van hun gegevens maakten Van Eynden en Van der Willigen gebruik van de gegevens die Gerard van Nijmegen (1735-1808), Izaäk Schmidt (1740-1818) en D.J. Guicherit (1763-1813) hadden verzameld. Zij spraken ook met kunstenaars en verzamelaars en deden zelf archiefonderzoek.

Voor meer informatie, zie Ton Geerts, Register op Roeland van Eynden en Adriaan van der Willigen. (Leiden 1997) 4-6, en Annemieke Hoogenboom, De stand des kunstenaars. (Leiden 1993) 51-72.

Ga naar de digitale versie.