Historici.nl





#opstand
#cultuur en kunst
#politiek en bestuur
#maatschappij
#wetenschap en techniek
#oorlog en krijgsmacht
#economie en financiën
#kerk en religie
#overzeese gebieden
#scheepvaart
#onderwijs
#erfgoed
#recht
#archieven
#kolonialisme
#Tweede Wereldoorlog
#inclusiviteit
#gender
#slavernij
Gepubliceerd op 23-04-2012

Alternatieven voor parlementaire democratie

Op 19 april werden de resultaten gepresenteerd van het onderzoek ‘Alternatieve democratie. Vertegenwoordiging in Nederland van 1870 tot heden’, onderdeel van het NWO-programma ‘Omstreden democratie’. Het project is een bijzonder samenwerkingsverband tussen de Instituties voor de Open Samenleving en de departementen Politieke Geschiedenis en Bestuurskunde van de Universiteit Utrecht. Hierin wordt de ontwikkeling van politieke en maatschappelijke organisaties vanaf eind negentiende eeuw verklaard, ingekaderd en geëvalueerd op grond van hun democratische karakter en legitimiteit.

Hoogleraar Politieke Geschiedenis Ido de Haan zette in de introductie uiteen hoe de verschillende organen eind negentiende eeuw ontstonden vanuit de behoefte aan ‘functionele representatie’. Dankzij de gestage uitbreiding van het kiesrecht werden weliswaar steeds meer burgers politiek vertegenwoordigd, maar hiermee ging een breed gedeeld gevoel gepaard dat politieke vertegenwoordigers de kennis en expertise misten om complexe vraagstukken op te lossen – iets dat in de tijd van de sociale kwestie natuurlijk extra urgentie kreeg.

Vier vragen over het representatieve karakter van die functionele organisaties stonden centraal bij de drie deelonderzoeken over de periode 1870 tot nu: wie representeren ze? Hoe rekruteren ze hun vertegenwoordigers? Welke middelen hebben ze om hun controletaak uit te oefenen? En hoe gaan ze te werk?

Stefan Couperus deed onderzoek naar de vroegste periode van de parlementaire democratie (1880-1940). In dit tijdvak stonden volgens hem vooral experimenten met ‘functionele democratie’ centraal. Organisaties als kamers van koophandel, kamers van arbeid en later de Hoge raad van Arbeid werden opgericht om zowel deskundigheid als draagvlak te organiseren en zo een democratisch tekort op te lossen. Naast een proces van centralisering op landelijk gebied, werd dit stelsel van organisaties ook gekenmerkt door grote wanordelijkheid: er was een grote overlap in en diversiteit aan organisaties. Hoewel geen onverdeeld succes, bleken de experimenten toch de basis te leggen voor een alternatieve vorm van vertegenwoordigend bestuur.

Na de Tweede Wereldoorlog werd uit bovenstaande ervaring geput. Erik Schrijvers richtte zich voor de periode 1945-1995 op adviescolleges en bedrijfsorganen zoals de SER, het Landbouwschap en de Raad voor de Kunst. Die organisaties werden steevast in het leven geroepen met hoge verwachtingen, maar bleken vaak niet in staat om de veranderingen in hun achterban bij te benen. Interne strubbelingen en een assertievere houding van het parlement zorgden er uiteindelijk voor dat het uitgebreide systeem van adviesorganen vanaf eind jaren zeventig werd ontmanteld.Het onderzoek dat Adriejan van Veen presenteerde, handelt over de periode van 1995 tot heden. In een onderzoek naar de Nederlandse Zorgautoriteit, de OPTA, de NMA en de AFM stelt Van Veen dat deze ‘marktautoriteiten’ op afstand van zowel de politiek als het veld dat ze moeten controleren zijn geplaatst. Gedeeltelijk hebben ze hun bestaansrecht zelfs te danken aan kritiek op het functioneren van de parlementaire democratie. Het parlement zou, net als eind negentiende eeuw, te weinig oog hebben voor de lange termijn en vooral over te weinig deskundigheid beschikken. Het feit echter dat die markttoezichthouders die deskundigheid wel hebben, zorgt er volgens Van Veen voor dat hun relatie met de markt die ze moeten controleren ‘wringt’: hun band kan te innig worden.

Het project ‘alternatieve democratie’ toont aan dat we democratische vertegenwoordiging breder moeten opvatten dan louter de Tweede Kamer en werpt bovendien de vraag op of deze verplaatsing van representatie van politiek naar toezichthouders en overlegorganen vanuit democratisch oogpunt wenselijk is. Deze organisaties hebben immers kritiek gekregen als zijnde ondoorzichtige bestuursorganen, maar zijn ook geprezen als een versterking van de parlementaire democratie.

Pepijn Corduwener, Universiteit Utrecht

Pepijn Corduwener
Pepijn Corduwener is als Universitair Docent verbonden aan het Departement Geschiedenis en Kunstgeschiedenis, en werkzaam bij de afdeling Politieke Geschiedenis. Hij is gespecialiseerd in de geschiedenis van West-Europa vanaf de late negentiende eeuw. Hij heeft onder meer gepubliceerd over de geschiedenis van democratie in verschillende perspectieven, waaronder over de reconstructie van democratie na de Tweede Wereldoorlog; de historische wortels van de democratische crisis in Italië, en hedendaags populisme.
Alle artikelen van Pepijn Corduwener
Historici.nl
Het KNHG is de grootste organisatie van professionele historici in Nederland. Het biedt een platform aan de ruim 1100 leden en aan de historische gemeenschap als geheel. Word lid van het KNHG.
Historici.nl
Terug naar de bron: de geschiedenis ontrafeld met nieuwe technologie. Dat is de missie van het Huygens ING, een onderzoeksinstituut op het gebied van geschiedenis en cultuur.