Historici.nl





#opstand
#cultuur en kunst
#politiek en bestuur
#maatschappij
#wetenschap en techniek
#oorlog en krijgsmacht
#economie en financiën
#kerk en religie
#overzeese gebieden
#erfgoed
#scheepvaart
#onderwijs
#archieven
#kolonialisme
#Tweede Wereldoorlog
#recht
#gender
#inclusiviteit
#slavernij
#natuur en milieu
Gepubliceerd op 21-10-2012

Biblical Criticism and Scriptural Authority in the Dutch Golden Age

Als onderdeel van het door NWO gesubsidieerde project ‘Biblical Criticism and Secularization in the Seventeenth Century’ vond te Utrecht van 30 augustus – 1 september 2012 een internationale conferentie plaats over de veranderingen in de status van de Bijbel in de zeventiende eeuw.

 

Doel van de conferentie was met vakgenoten de hypothese te onderzoeken dat de humanistische Bijbelkritiek in belangrijke mate bijdroeg aan de afkalving van de kerkelijke waarheidspretenties zoals die in de tweede helft van de zeventiende eeuw inzette. Door vernieuwend tekstonderzoek kwam de traditionele visie op de Bijbel toen op losse schroeven te staan; van een door God woordelijk geïnspireerde gids voor het heil werd het boek gedegradeerd tot een geschiedenis van het Joodse volk. Die omslag leidde tot toenemende twijfels aan de traditionele geloofswaarheden.

Aan de hand van bijdragen over Desiderius Erasmus, Daniel Heinsius, Hugo de Groot, Simon Episcopius, Isaac Vossius, Gisbertus Voetius, Johannes Cocceius en Benedictus de Spinoza, geleerden van wie het exegetisch werk vaak hevige opschudding en bestrijding verwekte, werd nagegaan hoe het confessionele debat doorwerkte op de opvattingen over tolerantie en repressie in de Nederlandse Republiek. In veel bijdragen werd ingegaan op de rol van het tekstkritisch onderzoek, zowel in de Oosterse als in de Klassieke talen. Dit onderzoek kon opbloeien dankzij een sterk verbeterde kennis van de Oosterse talen en van het in die talen overgeleverde handschriftelijke materiaal.

De oriëntalistiek ontwikkelde zich in de zeventiende eeuw naar analogie van de klassieke filologie, maar kende haar eigen complicerende aspecten. De verhouding van het Jodendom tot het Christendom was vanouds moeizaam, maar de aan christelijke kant oplevende wens om toegang te verkrijgen tot Hebreeuwse en Arabische bronnen nodigde tegelijk uit tot samenwerking. Op het congres bleek dat ook binnen de calvinistische orthodoxie de behoefte leefde om de uitleg van de Bijbel in vaste banen te leiden: de orthodoxie bouwde haar eigen ‘menselijke traditie’ op. Deze neiging tot sturing kwam tevens tot uiting in de Joodse geloofsgemeenschap: de Sefardische joden hadden behoefte aan commentaar bij de Torah, terwijl de Ashkenazi’s juist een schone tekst wilden hebben. De interesse voor de Oosterse talen en, in het verlengde daarvan, de geschiedenis en cultuur van deze gebieden nam een enorme vlucht en kreeg een eigen dynamiek die de exclusiviteit van de Oudtestamentische Jodendom relativeerde. Maar evenals de klassieke filologie werd de oriëntalistiek een modeverschijnsel waarmee geleerden koketteerden, soms zonder werkelijk bij te dragen aan het geleerde debat.

Een aantal lezingen werd gekenmerkt door een verfrissende aandacht voor de orthodox-calvinistische filologie. Zo bleek dat Gisbertus Voetius tot de conclusie kwam dat katholieke filologen als Benito Arias Montano en Andreas Masius vruchtbaarder onderzoek hadden gedaan dan calvinisten als Joseph Scaliger en Friedrich Spannheim. Daarnaast was er aandacht voor de confrontatie van de protestantse orthodoxie met de innovatieve exegese zoals die vooral door remonstranten als Simon Episcopius, Etienne de Courcelles en Philippus van Limborgh werd bedreven. In de ontwikkeling van de Bijbelkritiek rond 1700 deed de invloed van de geniale èn omstreden Spinoza zich steeds sterker gelden. Navolgers incorporeerden zijn ideeën voorzichtig of namen er juist op besliste manier afstand van. Bijzondere aandacht ging uit naar Pierre Bayle en Jean Leclerc, die in de receptie van Spinoza een belangrijke rol hebben gespeeld. Ook de naweeën van deze debatten in het Duitse en Engelse taalgebied in de achttiende eeuw kwamen aan bod.

Op vrijdagavond bespraken Anthony Grafton en Jonathan Israel hun visie op Spinoza. Grafton suggereerde in een diepgravend exposé de selectieve manier waarop Spinoza voor zijn Bijbelkritiek te rade ging bij eerder onderzoek, zonder zich daadwerkelijk te bekwamen in de meest recente ontwikkelingen op het gebied van de historische kritiek en tekstkritiek. Israel besprak in een enthousiast voorgedragen panoramisch overzicht het Nachleben van de grote filosoof. Daarbij ging hij vooral in op de doorwerking van diens gedachtegoed tijdens de Franse revolutie.

Dat filologisch onderzoek en de veranderende status van de Bijbel met elkaar verband hielden, werd tijdens de driedaagse conferentie zonder meer duidelijk, maar even sterk drong het algemene beeld zich op dat het hier om een complexe interactie ging die niet onder één noemer gevat kan worden. Tekstkritisch onderzoek loste niet alleen oude kwesties op, maar wierp ook licht op nieuwe problemen. Bovendien nodigde het uit tot vervalsing van handschriften om Bijbelse passages te redden die essentieel leken voor de onderbouwing van geloofsartikelen zoals de Drie-eenheid. Dit leidde soms tot een bizarre verwarring die pas generaties later kon worden opgelost. Terwijl sommige geleerden filologische methodes toepasten om controversiële conclusies te verdedigen, verkozen velen een positie binnen de veilige grenzen van de theologische orthodoxie. De sociale positie van de geleerden was hier waarschijnlijk mede debet aan.

Binnen de Nederlandse Republiek mag de tegenstelling tussen orthodoxe en progressieve theologen en geleerden worden gerelativeerd. De voetianen stonden open voor kritisch tekstonderzoek, terwijl de coccejanen een geheel eigen programma ontwikkelden om de Erasmiaanse Bijbelstudie te hernieuwen. Zulke initiatieven werden op het scherpst van de snede verdedigd, nadat auteurs als Thomas Hobbes, Isaac Vossius en Spinoza in de decennia na 1650 hadden laten zien dat aan passages in de Bijbel met gangbare filologische methodes een uiterst onconventionele betekenis kon worden toegekend. Tegen het einde van de zeventiende eeuw werd in toenemende mate door onderzoekers aan de periferie van het kerkelijk leven, zoals remonstranten of hun geestverwanten (Philipp van Limborch, Pierre Bayle, John Locke) en mennonieten (Anthonie van Dalen), vrijelijk studie verricht naar de authenticiteit en de samenhang van de boeken in de Bijbel.

De vragen die in de zeventiende eeuw vanuit allerlei richtingen waren opgeworpen, bleven zich in de achttiende eeuw opdringen. Nog steeds voelde het academisch establishment zich zowel in Engeland als in de Duitse landen geroepen in debat te gaan over kwesties die radicale, bezorgde of overijverige filologen aan de orde hadden gesteld. De Bijbelkritiek, die bijvoorbeeld vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw aan Duitse universiteiten tot bloei kwam, kan direct worden herleid tot de zeventiende-eeuwse Bijbelkritiek. Maar dit was zeker geen gelijkmatige ontwikkeling. Uit de voordrachten bleek eveneens dat hermeneutiek, d.w.z. de reflectie op de interpretatiemethode, tegen het einde van de zeventiende eeuw dikwijls nog ver verwijderd was van de filologische praktijk.

Tijdens het congres kwam goed naar voren dat er van perifere stromingen als het remonstrantisme, de rekkelijke variant van het in de Republiek overheersende orthodoxe calvinisme, een vernieuwende invloed op de Bijbelkritiek is uitgegaan. Voorts werd duidelijk dat de interconfessionele strijd een belangrijke stimulans voor een zorgvuldige bestudering van de overlevering vormde. Uiteindelijk leidde dat tot een fundamentele paradigma-wisseling. In de zeventiende-eeuwse discussie kwam op den duur een inzicht bovendrijven waarvan de consequenties in de verschillende confessionele kampen heftige weerstand opriep: de in de standaardedities vastgelegde tekst bevatte veel tegenstrijdigheden, onduidelijke passages en andere cruces, die zich met het idee van een goddelijke inspiratie moeilijk lieten rijmen. De tekstkritische en strikt historische benadering bevorderde een andere visie op de Bijbel. De algemene, objectief, dus empirisch vast te stellen, buiten-Bijbelse waarheid diende gescheiden te worden van de subjectieve waarheid die door een (al of niet geïnspireerde) auteur in de tekst tot uitdrukking was gebracht. Geloof en waarheidspretentie vormden voor velen nog een onscheidbare eenheid, maar bij een deel van de intellectuele elite brak het besef door dat geloof een privéaangelegenheid was. Daarom mocht die waarheidspretentie nooit worden afgedwongen en aan andersdenkenden opgelegd.

De conferentie ‘Biblical Criticism and Scriptural Authority in the Dutch Golden Age’ werd georganiseerd door Dirk van Miert, Henk Nellen, Piet Steenbakkers en Jetze Touber, medewerkers van het Huygens ING van de KNAW (Den Haag) en het Descartes-Centre (Universiteit van Utrecht). Klik hier voor meer informatie.

Historici.nl
Het KNHG is de grootste organisatie van professionele historici in Nederland. Het biedt een platform aan de ruim 1100 leden en aan de historische gemeenschap als geheel. Word lid van het KNHG.
Historici.nl
Terug naar de bron: de geschiedenis ontrafeld met nieuwe technologie. Dat is de missie van het Huygens ING, een onderzoeksinstituut op het gebied van geschiedenis en cultuur.