Historici.nl





#opstand
#cultuur en kunst
#politiek en bestuur
#maatschappij
#wetenschap en techniek
#oorlog en krijgsmacht
#economie en financiën
#kerk en religie
#overzeese gebieden
#erfgoed
#scheepvaart
#onderwijs
#archieven
#kolonialisme
#Tweede Wereldoorlog
#recht
#gender
#inclusiviteit
#slavernij
#natuur en milieu
Gepubliceerd op 01-10-2020

Blogserie Vroegmoderne Publieksdiplomatie – Een diplomatiek antwoord? Vroegmoderne ambassadeurs op de vuist in de publiciteit

Charlatans’, ‘happelourdes’, ‘ignorants’. Met deze woorden omschreef de Franse ambassadeur Benjamin Aubery du Maurier de auteurs van een pamflet dat in 1620 in Venetië was verschenen. Hoewel Du Maurier wel bekendstond als een heethoofd, was deze uitbarsting ook voor zijn doen opmerkelijk. Wat had de ambassadeur zo kwaad gemaakt?

Het verhoeden van een publieke diplomatieke rel is en was een lastige opgave. In de zeventiende eeuw ging men bij het verschijnen van ongewenst drukwerk soms over tot repressie, en soms werd het publieke debat juist aangezwengeld door ambassadeurs die de eer van hun staat wilden verdedigen. In mei 1621 kreeg de Franse gezant Du Maurier een pamflet van een zekere Bonfadius in handen. Als ambassadeur in Den Haag tussen 1613 en 1624 had Du Maurier wel vaker te maken met onaangenaam drukwerk, maar ditmaal was het persoonlijk. Hoewel hij niet bij naam genoemd werd, was het voor Du Maurier duidelijk dat het boekje vol stond met ‘zeer grove laster’ die zijn eer en reputatie aantastte. Waarschijnlijk gaat het om het in 1620 verschenen Dicaeologia Omnium Rerum Publicarum van de Venetiaanse schrijver Giuseppe Bonfadio. In het pamflet viel te lezen hoe Du Maurier tijdens de Bestandstwisten de in de Republiek gelegerde Franse troepen wilde gebruiken om de Remonstrantse partij van de landsadvocaat Johan van Oldenbarnevelt te ondersteunen. Het doel van deze steun, zo betichtte de schrijver, was echter slechts het uitlokken van een langdurige burgeroorlog die de Republiek zou verzwakken en onder Franse invloed zou brengen. Dit soort aantijgingen besmeurde niet alleen Du Mauriers goede naam, ze zouden ook de relatie tussen de Republiek en Frankrijk flink kunnen aantasten.

Hoewel het pamflet op naam van Bonfadio was verschenen, vermoedde Du Maurier dat hij niet de echte auteur was. De beschuldigingen leken namelijk verdacht veel op die van zijn aartsrivaal in de Republiek: de voormalige Nederlandse ambassadeur in Frankrijk François van Aerssen. En zoals Du Maurier opmerkte was het boekje op exact hetzelfde moment uitgekomen dat Van Aerssen voor korte tijd als gezant in Venetië verbleef. Voor Du Maurier kon dit geen toeval zijn: hij was er heilig van overtuigd dat Van Aerssen in 1618 door middel van een reeks opruiende pamfletten Oldenbarnevelt buitenspel had gezet, en ook een actieve rol speelde in het uitwisselen van drukwerk met calvinisten in Frankrijk. Met andere woorden: Van Aerssen zou publieksdiplomatie gebruiken om zijn rivalen uit te schakelen en zijn anti-Franse politiek te populariseren.

Du Maurier hield de verspreiding van het pamflet goed in de gaten, en wist zelfs te vermelden dat een van de Nederlandse ambassadeurs die in 1621 naar Parijs afreisde een aantal exemplaren met zich meenam om het ook daar onder de bevolking te verspreiden. Hiermee was voor Du Maurier de maat vol, en hij schreef een brief op hoge poten naar zijn baas, de minister van buitenlandse zaken Sillery. In deze brief eiste Du Maurier dat de Franse ambassadeur in Venetië zich in zou zetten om het pamflet te verbieden. Daarnaast moest hij uitzoeken wie Bonfadio er überhaupt toe had aangezet om het te schrijven. Du Maurier wees er fijntjes op dat hij eerder dat jaar zelf zijn nek had uitgestoken om de Franse ambassadeur bij de Zwitserse Grisons te verdedigen toen die in de Nederlandse pers werd aangevallen. Het mocht echter niet baten. De ambassadeur in Venetië weigerde een formele klacht in te dienen over het pamflet, omdat hij van mening was dat een verbod alleen maar averechts zou werken.

Hierop besloot Du Maurier zichzelf maar te verdedigen in de publieke sfeer. Om een pamflettenstrijd te vermijden, kon hij maar beter geen direct antwoord schrijven. In plaats daarvan maskeerde hij zijn pamflet als een antwoord op een brief van een collega-ambassadeur die hem zogenaamd had gevraagd om opheldering. Du Maurier stuurde het resultaat op naar zijn goede vriend Hugo de Groot voor commentaar, en wilde daarna ‘vijftig tot honderd exemplaren laten maken’ en ‘om te verspreiden naar diegenen in Frankrijk en hier in de Republiek die geïnteresseerd waren in zijn pamflet [van Bonfadio]’. Van Du Mauriers pamflet zijn helaas geen exemplaren overgeleverd. Misschien komt dit door de geringe oplage, of misschien heeft Du Maurier zijn project nooit voltooid: De Groot raadde het hem in ieder geval af om zo snel iets terug te schrijven.

Al met al waren er vier ambassadeurs, verspreid over drie staten en met verschillende opvattingen over publieksdiplomatie, betrokken bij het maken, verspreiden, verbieden en antwoorden op dit pamflet. Het aanwakkeren van de publieke opinie was duidelijk een krachtig middel. Over hoe men daar tactisch op moest reageren, waren de meningen nog verdeeld.

Wie meer wil weten over de publieksdiplomatieke vete tussen Du Maurier en Van Aerssen kan straks terecht in mijn proefschrift over Frans-Nederlandse publieksdiplomatie in de zeventiende eeuw.

Kerrewin van Blanken is als promovendus verbonden aan het NL-Lab van het Humanities Cluster van het KNAW. Hij richt zich op het thema publieke opinie in zeventiende-eeuwse internationale betrekkingen. Zijn onderzoeksproject is getiteld Ambassadors in Print: Public Diplomacy in Franco-Dutch Relations, 1609-1713.

Met dank aan Dinah Wouterse voor het helpen vertalen van de Dicaelogia.
Historici.nl
Het KNHG is de grootste organisatie van professionele historici in Nederland. Het biedt een platform aan de ruim 1100 leden en aan de historische gemeenschap als geheel. Word lid van het KNHG.
Historici.nl
Terug naar de bron: de geschiedenis ontrafeld met nieuwe technologie. Dat is de missie van het Huygens ING, een onderzoeksinstituut op het gebied van geschiedenis en cultuur.