Vernieuwde site. Lees meer...
Historici.nl





#cultuur en kunst
#politiek en bestuur
#maatschappij
#wetenschap en techniek
#oorlog en krijgsmacht
#economie en financiën
#kerk en religie
#overzeese gebieden
#scheepvaart
#onderwijs
#recht
#erfgoed
#kolonialisme
#slavernij
#archieven
#Tweede Wereldoorlog

De horizon en verder. De toekomst van de economische en sociale geschiedenis in de Lage Landen

Het behoort tot de goede zeden onder sociale en economische historici om eens in de zoveel tijd pas op de plaats te maken en na te denken over waar deze historische subdisciplines zich naartoe bewegen, of naar toe zouden moeten bewegen. Vandaar dat het Tijdschrift voor Sociale en Economische Geschiedenis (TSEG), tegenwoordig ook bekend als The Low Countries Journal of Social and Economic History, in mei een prijsvraag uitschreef met de vraag welk verschiet de Nederlandse en Vlaamse beoefenaren van deze twee subdisciplines, en dan met nadruk de jongere generatie onderzoekers, voor zich zagen. Welke onderzoeksagenda zou er volgens hen moeten worden gevolgd de komende tien jaar? Waar zou men moeten staan in 2027?

Een jury bestaande uit emeritus en éminence grise Jan Lucassen, de Leidse universitair hoofddocent economische geschiedenis Jeroen Touwen en de Gentse hoogleraar sociale geschiedenis Gita Deneckere mocht zich buigen over de vijftien uiteraard geanonimiseerde – het is een klein wereldje – inzendingen en daaruit vijf finalisten kiezen, die door de redactie van TSEG werden uitgenodigd om hun ideeën uit te werken en toe te lichten op een studiemiddag. Vervolgens kreeg de jury de vijf uitgewerkte voorstellen onder ogen om daaruit een winnaar te kezen.

Op vrijdagmiddag 10 november 2017 kwamen de finalisten met een aantal belangstellende collegae bijeen in de Posthumuszaal van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) te Amsterdam. Voorzitter van de middag was Jessica Dijkman, TSEG-redactielid en verbonden aan de Universiteit Utrecht, en inleider op de middag was emeritus Marcel van der Linden, één van de belangrijkste sociale historici die Nederland kent en oud-onderzoeksdirecteur van het IISG. Net als zijn voorganger Jan Lucassen gaf hij de afgelopen tientallen jaren de richting aan bij het onderzoek naar arbeid en arbeidsverhoudingen dat op het IISG een belangrijke rol speelt. In zijn inleiding toonde hij een brede kennis te hebben van wat er in de sociale en economische geschiedschrijving is omgegaan in de afgelopen jaren, en wees hij op enerzijds de affectieve keer in de sociale geschiedenis, waarbij de numbercrunchers van voorheen zich hebben gericht op de geschiedenis van emoties, en anderzijds de heroverweging van oudere onderwerpen op een nieuwe manier, zoals bijvoorbeeld een frisse blik op geldcirculatie, waarbij de bejaarde hulpwetenschap numismatiek zowaar bijzonder nuttig blijkt, en de precarisering van arbeid door de eeuwen heen, die de geschiedenis van arbeid en arbeidsverhoudingen heeft gerevitaliseerd. Met name Franse historici blijken bijzonder creatief geweest te zijn in het aanboren van nieuwe onderwerpen, zoals Yvonne Knibiehler, die een boek heeft geschreven over de geschiedenis van het concept maagdelijkheid.

In het algemeen geldt volgens Van der Linden echter dat al dit recente werk gemeen heeft dat het een groeiende belangstelling vertoont voor enerzijds lange afstandsverbindingen en anderzijds wereldomspannende vergelijkingen, zoals het werk van William Reddy die de romantische liefde in Europa, Bengalen en het Japan van de Heiantijd vergeleek.

Na dit verreikende en boeiende overzicht mochten de finalisten hun voorstellen toelichten. Achtereenvolgens kwamen aan het woord de Gents-Brusselse promovendus Jelten Baguet, de Leidse universiteitsdocent Jeffrey Fynn-Paul, de promovendae Esther Beeckaert (Gent) en Marjolein Schepers (Brussel), de Wageningse docent Pim de Zwart en de Antwerpse docent Jeroen Puttevils. Uit hun voordrachten rezen een aantal kernthema’s op, zowel aangaande de richting van het onderzoek als wel hoe dit onderzoek aan te wenden in het publieke debat.

Inhoudelijk viel op dat vier van de vijf bijdragen naar ongelijkheid als belangrijkste onderzoeksthema wezen. Dat hoeft niet te verbazen in het voetspoor van Thomas Piketty, maar is niet alleen een modieus thema: er zijn voldoende aanwijzingen dat de ongelijkheid in de wereld weer toeneemt en dat verreikende gevolgen kan hebben. Uiteraard hadden de vijf finalisten zo hun eigen invalshoeken binnen dat thema. Opvallend was ook dat drie van de vijf pleitten voor een veel actievere rol van de sociale en economische historici in het publieke debat over zaken als ongelijkheid en migratie. Baguet merkte snedig op dat sommige academische tijdschriften meer redacteuren dan lezers lijken te hebben, en stelde onder andere een expertisecentrum voor waar kan worden voldaan aan de stijgende maatschappelijke vraag naar lange termijnperspectieven in het licht van de vele uitdagingen waarvoor burger èn historicus zich geplaatst zien. Fynn-Paul vindt dat economische historici onder invloed van het neoliberale model het gevaar van ongelijkheid en daaruit voortvloeiende klassenverschillen hebben genegeerd en zich weer meer op dit vraagstuk moeten gaan richten. Beeckaert en Schepers, die overigens een collectief van acht jonge historici vertegenwoordigden, wezen op de verwevenheid van ecologische problemen met ongelijke machtsstructuren. Ook zij pleitten voor een actievere rol van historici in het publieke domein.

Pim de Zwart en Jeroen Puttevils legden beiden weer een ander accent, waarbij De Zwart vooral nadacht over de richting van het onderzoek in de economische geschiedenis en Puttevils vooral de methodologische ontwikkelingen benadrukte. De Zwart is van mening dat globalisering en ongelijkheid de belangrijkste thema’s zijn de komende jaren, en bepleit een vergelijkend onderzoek op een regionaal niveau, in tegenstelling tot de meer traditionele manier om verschillende landen met elkaar te vergelijken. Dat levert echter een zwaar vertekend beeld op, en in plaats daarvan zou hij graag zien dat ontwikkelingen in op elkaar gelijkende, kleinere gebieden met elkaar worden vergeleken – regio’s, gewesten, gemeenten en wat dies meer zij. Door een bibliotheek van casestudies op te bouwen, kan de economische geschiedenis op termijn veel betere conclusies trekken over globalisering en ongelijkheid dan nu het geval is. Zelf geeft hij het goede voorbeeld door in zijn nieuwe project vergelijkbare regio’s in Indonesië, Maleisië en Vietnam te vergelijken.

Puttevils betoogde eveneens dat historici er goed aan doen om weer op een kleinere schaal onderzoek te doen dan de laatste tijd gebruikelijk is. In zijn ogen is dat reculer pour mieux sauter: een stap achteruit zetten om een betere aanloop te kunnen nemen. Methodologisch is de wetenschapspraktijk van de geschiedschrijving de afgelopen twintig jaar eigenlijk maar weinig veranderd. De schaal is weliswaar groter door de opmars van de digitale geesteswetenschappen, maar het digitaliseren van seriële bronnen is niet genoeg op zich. De historicus moet zich niet alleen richten op het laaghangend fruit dat het vergaren van al bestaande dataverzamelingen oplevert, maar ook zelf naar nog niet gebruikte bronnen te kijken. Wie bijvoorbeeld onderzoek wil doen naar de invloed van cultuur op economisch gedrag, zal er in Puttevils’ ogen goed aan doen om micro-economisch onderzoek te doen op het niveau van individuen om vast te stellen hoe mensen beslissingen maken, methodologisch aansluitend bij behavioural economics.

Nadat de zaal gelegenheid gehad om de sprekers vragen te stellen, presenteerde scheidend TSEG-hoofdredacteur Ariadne Schmidt de nieuwe website van TSEG, dat vanaf nu aan geheel open access zal zijn – er zorg voor dragend dat het tijdschrift inderdaad meer lezers dan redacteuren zal blijven hebben. Uiteraard blijft geldelijke steun wel nodig, en naast de abonnees die nog steeds hun papieren exemplaar op de deurmat zullen vinden zal er ook een begunstigersabonnement worden geïntroduceerd, waarbij men wel het tijdschrift steunt maar geen dichtslibbende boekenkasten meer hoeft te vrezen. Ariadne kreeg nog enkele waarderende woorden van Jeroen Touwen en Aad Blok van de publicatieafdeling van het IISG, verantwoordelijk voor TSEG, en een bos bloemen – want boeken had ze al genoeg, zo was duidelijk gebleken.

Tenslotte was het dan de beurt aan Jan Lucassen om namens de jury de winnaar van de prijsvraag aan te wijzen. Een moeilijke beslissing, want de jury was over alle bijdragen zeer te spreken, maar de keuze was uiteindelijk gevallen op het voorstel van Pim de Zwart, die het door Stichting Unger-van Brero Fonds ter beschikking gestelde prijsbedrag in ontvangst mocht nemen. Alle bijdragen zullen echter worden gepubliceerd in TSEG – en daarmee nu dus onmiddellijk en overal toegankelijk voor belangstellende historici. Ongetwijfeld zullen ze nog geregeld aanleiding geven voor gedachtewisselingen tussen Nederlandse en Vlaamse beoefenaars van de sociale en economische geschiedenis.

– Henk Looijesteijn

Historici.nl
Het KNHG is de grootste organisatie van professionele historici in Nederland. Het biedt een platform aan de ruim 1100 leden en aan de historische gemeenschap als geheel. Wordt lid van het KNHG.
Historici.nl
Terug naar de bron: de geschiedenis ontrafeld met nieuwe technologie. Dat is de missie van het Huygens ING, een onderzoeksinstituut op het gebied van geschiedenis en cultuur.