Historici.nl





#opstand
#cultuur en kunst
#politiek en bestuur
#maatschappij
#wetenschap en techniek
#oorlog en krijgsmacht
#economie en financiën
#kerk en religie
#overzeese gebieden
#erfgoed
#scheepvaart
#onderwijs
#archieven
#kolonialisme
#Tweede Wereldoorlog
#recht
#gender
#inclusiviteit
#slavernij
#natuur en milieu
Gepubliceerd op 30-06-2016
Door Ilja Nieuwland

Digitale competentie?

‘Kunnen we een historicus die geen digitale hulpmiddelen gebruikt, überhaupt als competent beschouwen?’

Met deze, bewust chargerende, vraag openden Gerben Zaagsma en ik onze workshop over digitale hulpmiddelen voor historici op het THATCamp in januari 2014. De vraag was wel degelijk serieus bedoeld, en een reflectie van de wijze waarop ons werkveld in de afgelopen twintig jaar fundamenteel van karakter is veranderd. Een verandering waarbij digitale tools en resources een doorslaggevende rol hebben gespeeld.

Verwerven en selecteren

Onze vraag is nog steeds niet eenduidig te beantwoorden. Om met de bronnen te beginnen: ik ben nog opgeleid (in Groningen, begin jaren negentig) met het idee dat je als historicus vooral bezig was met het verwerven van bronnen. Een bron was tenslotte een schaars goed. Ook tijdens mijn AIO-schap, in de late jaren negentig, typte ik nog geregeld archiefinventarissen over. Die situatie is radicaal veranderd. Niet alleen zijn die inventarissen inmiddels online beschikbaar, maar dikwijls ook de archiefstukken zelf. Iemand die receptiegeschiedenis onderzocht, zat ooit maanden, overwegend vruchteloos, door kranten te ploegen; tegenwoordig volstaat het intypen van een enkel zoekwoord in Delpher. Van “zoekers” zijn we “zifters” geworden. De sleutelvaardigheid is hoe je uit de massa van beschikbare data juist die bronnen en literatuur weet te selecteren die je kunnen helpen een vraag te beantwoorden. Dat is voor mensen die zijn opgeleid met het idee dat je elke brontekst gezien moet hebben, een hele omschakeling. Het betekent dat een onderzoeksvraag preciezer gesteld moet worden om niet in de problemen te komen.

Er zijn keerzijden. De alomtegenwoordigheid van digitale bronnen doet ons nog wel eens vergeten dat heel veel bronnen nog niet digitaal ontsloten zijn en – nog erger – dreigt die analoge bronnen definitief aan het zicht te onttrekken. Voor datzelfde personderzoek is het bijvoorbeeld heel verleidelijk om kranten die nog niet in Delpher zijn opgenomen, links te laten liggen – ook als er goede inhoudelijke redenen zijn om ze toch mee te nemen. Ook is het gemakkelijk om de context van een bron uit het oog te verliezen omdat je meteen het resultaat van een heel specifieke zoekactie krijgt voorgeschoteld. Het behouden van dat perspectief is een belangrijk onderdeel van bronnenselectie geworden.

Eigenlijk staan we nog steeds aan het begin. Heel veel digitaliseringsprojecten zijn nog niet voltooid, tools bevinden zich nog aan het begin van hun ontwikkeling en methodologische standaarden ontbreken nog goeddeels. Om Delpher er weer bij te halen: ondanks de rijkdom aan bronnen is het nog niet mogelijk een zoekactie te (laten) herhalen met de garantie van hetzelfde resultaat, omdat continu nieuwe kranten en tijdschriften worden toegevoegd. Met andere woorden: een resultaat is niet reproduceerbaar en deelbaar. En dat is voor professioneel wetenschappelijk onderzoek een enorm probleem.

Gereedschap

In andere aspecten van het digitale handwerk, analyse en verwerking, zijn digitale gereedschappen nog steeds bezig aan een opmars. Bibliografische databases, projectplanners, tijdlijnprogramma’s en andere, soms zeer specifieke applicaties kunnen ons helpen bij het analyseren van informatie en het stroomlijnen van onze werkwijze. Waar een onderzoeker vroeger uren kwijt was voor het aanpassen van voetnoten aan de eisen van een bepaalde publicatie, kan zoiets tegenwoordig met een paar klikken worden gedaan.

Google Books, Archive.org en andere projecten hebben hoeveelheden literatuur blootgelegd waar we vroeger alleen maar van konden dromen. Een tool als Google Books nGrams staat ons bovendien toe om al die informatie ineens aan analyse te onderwerpen en deel van ons eigen onderzoek te maken. Niet alleen kwantitatieve tools hebben een opmars gemaakt; ook kwalitatief gereedschap is in overvloed aanwezig in de vorm van talloze on- en offlineprogramma’s. Tekstvergelijkings-, tekstnotitie- en auteurstoekenningsprogramma’s kunnen een nieuwe blik werpen op zelfs veelbestudeerde teksten; tekstanalysetools kunnen ons zelfs helpen onze eigen teksten te verbeteren. Het zijn allemaal methoden waardoor we beter kunnen omgaan met de lawine aan bronnen waar we mee te kampen hebben. Daar geen gebruik van maken is, op zijn zachtst, niet bijster verstandig.

Polder

De vraag “Kunnen we een historicus die geen digitale hulpmiddelen gebruikt, überhaupt als competent beschouwen?” moeten we vooralsnog op typisch Hollandse polder-wijze beantwoorden. Want hoewel het moeilijk voor te stellen is dat iemand helemaal geen digitale bronnen benut bij historisch onderzoek, is het ook nog steeds niet zo dat een onderzoeker zich er geheel door kan laten leiden. Maar waar het gereedschappen betreft kan het antwoord wat mij betreft eenduidiger zijn: digitale hulpmiddelen hebben het mogelijk gemaakt om op een heel andere manier naar onze data en ons werk te kijken. Wie daarvan geen kennis wil nemen schakelt zich daarmee ook uit als professional.

Historici.nl
Het KNHG is de grootste organisatie van professionele historici in Nederland. Het biedt een platform aan de ruim 1100 leden en aan de historische gemeenschap als geheel. Word lid van het KNHG.
Historici.nl
Terug naar de bron: de geschiedenis ontrafeld met nieuwe technologie. Dat is de missie van het Huygens ING, een onderzoeksinstituut op het gebied van geschiedenis en cultuur.