Historici.nl





Gepubliceerd op 17-12-2020

Dossier Ecogeschiedenis – Ecologische en Economische Geschiedenis van Indonesië

Klimaatverandering en de afname van biodiversiteit vormen de grootste uitdagingen van de 21e eeuw. Het is dan ook niet vreemd dat KNHG ervoor gekozen heeft om milieugeschiedenis, nog altijd een relatief kleine sub-discipline, een centrale rol te geven op het jaarcongres van dit jaar. Het verleden kan ons immers veel leren over op welke manieren samenlevingen in het verleden zijn omgegaan met hun omgeving, waarom, en wat de gevolgen daarvan zijn geweest.

Aan de hand van mijn eigen onderzoek zal ik een beschouwing geven op de vraag welke rol geografie en klimaat in de lange termijn economische geschiedenis van Indonesië hebben gespeeld. Het antwoord daarop is tweeledig. Enerzijds zijn geografie en klimaat bepalend geweest voor de lange termijn politieke ontwikkelingen en economische structuren in de archipel. Anderzijds is het op lokaal niveau geografie niet doorslaggevend geweest voor de ontwikkeling van het gemiddelde welvaartsniveau van bewoners, dat veeleer beïnvloed werd door plaatselijke ‘instituties’ (de formele en informele wetten en regels die economische en sociale activiteit sturen).

De geografie van de Indische archipel heeft er vóór de komst van de Europeanen voor gezorgd dat bestuurlijke centralisatie over grote gebieden beperkt bleef. Transport en communicatie over lange afstanden zijn moeilijk over duizenden verschillende eiland die bovendien grotendeels dik bedekt zijn met tropisch regenwoud. Marco Polo verbaasde zich er in de 13e eeuw over dat op Sumatra alleen acht verschillende koninkrijken te vinden waren. Deze geografie heeft ook een zeer sterke culturele diversiteit tot gevolg en in Indonesië wonen nog altijd meer dan 600 erkende etnische groepen. Het ontbreken van een grote staat, als de Ming in China of de Mogol in India, in combinatie met productiegebieden van de zo begeerde specerijen en lange kustlijnen, maakte de regio tot een doelwit voor Europese kolonisatoren (zie ook De Zwart & Van Zanden 2018). Doordat Europese mogendheden in deze periode op militair gebied vooral een voordeel hadden op zee, betekende de geografie van de archipel dat het in Azië eerst vooral gebieden in het huidige Indonesië en de Filipijnen waren die te maken kregen met Europese overheersing.

Het klimaat van de archipel was zeer gunstig voor de productie van verschillende handelsgewassen: koffie, thee en rubber in hoger gelegen gebieden, en suiker en tabak in de laaglanden. De productie van deze gewassen had een uitwerking op de sociaaleconomische ontwikkeling in verschillende regio’s van de archipel. Een reconstructie van de inkomensverdeling (een indicatie van economische ongelijkheid) in de 32 residenties (verglijkbaar met de huidige provincies) van Nederlands-Indië in de jaren 1920 toont dat de verschillen in inkomensongelijkheid tussen verschillende delen van de archipel enorm zijn (zie Figuur 1). Zo werd de regio rond Batavia (het huidige Jakarta) gekenmerkt door een extreme ongelijkheid, terwijl het naburige Banten vrijwel geen ongelijkheid kende (De Zwart 2022). Vooral in die gebieden met veel vruchtbare grond voor de productie van deze gewassen was de ongelijkheid relatief hoog. Regio’s met weinig exportspecialisatie en een focus op rijstproductie voor eigen levensonderhoud werden gekenmerkt door een veel lagere sociaaleconomische ongelijkheid.

Figuur 1: Ongelijkheid in Nederlands Indie in de jaren 1920. Bron: De Zwart (2022).

Tegelijkertijd blijkt uit onder andere mijn huidige NWO-Veni onderzoek dat geografie en klimaat zeker niet alles bepalend zijn. Vooral productie van handelsgewassen op grootschalige plantages (in plaats van door kleine boeren), had negatieve effecten op sociaaleconomische ontwikkeling. Die residenties waar relatief veel land in handen van Westerse plantages was (Batavia, Oost-Sumatra, Priangan), werden gekenmerkt door grote ongelijkheid (De Zwart 2022). Of productie plaatsvond door kleinschalige boeren of op grote plantages werd niet door geografische condities bepaald. Plantages konden met name worden gevonden in die residenties waar de plaatselijke elite relatief veel macht had over de bevolking en waar sterke rechten van de dorpsgemeenschap op grond ontbraken. Dit omdat het makkelijker was om tot een afspraak te komen over het opzetten van een plantage met één lokale nobelman dan met een dorpsraad die de belangen van de gehele gemeenschap behartigde (De Zwart 2020).

De cruciale rol van plantages blijkt ook uit een andere belangrijke kwestie in de geschiedenis van Indonesië. Al sinds het midden van negentiende eeuw, met geschriften van critici als W.R. van Hoëvell en Eduard Douwes Dekker (Multatuli), is er een debat gaande over de sociaaleconomische consequenties van het befaamde Cultuurstelsel. Daar waar de hiervoor genoemde critici stelden dat het stelsel niet alleen moreel verwerpelijk was, maar ook nog eens grote armoede onder de boerenbevolking tot gevolg had, hebben in de afgelopen decennia meerdere historici bewijs gevonden dat het stelsel juist tot commercialisering en toegenomen welvaart op het eiland leidde. Samen met twee collega’s onderzocht ik of er een relatie was tussen de aantallen gedwongen arbeiders in het Cultuurstelsel per residentie per jaar en de mortaliteit in die regio per jaar. Wij vonden een sterke relatie tussen gedwongen arbeid en sterfte: residenties die (ceteris paribus) meer arbeiders leverden in een bepaald jaar zagen ook de sterfte onder de bevolking toenemen. Daar waar in het werk van andere historici de indruk is gewekt dat dit verband vooral op zou kunnen treden in die residenties waar veel suiker werd geproduceerd (zie ook Figuur 2), omdat suikerproductie plaatsvond op dezelfde grond en in dezelfde periode als rijstproductie, vinden wij geen verschillen in de relatie tussen gedwongen arbeid en sterfte voor de verschillende gewassen. In plaats daarvan lijkt het erop dat vooral het bijeenbrengen op plantages van grote groepen arbeiders (in onhygiënische omstandigheden) uit verschillende dorpen de verspreiding van epidemische ziekten in de hand heeft gewerkt, hetgeen leidde tot een toename in algehele sterfte in een residentie (De Zwart et al. 2020). Ecologie had geen effect op deze relatie, maar alleen de gedwongen arbeid en de manier waarop dit werd georganiseerd (op plantages) zelf was doorslaggevend.

Figuur 2: Residenties op Java en geschiktheid voor suikerproductie. Bron: De Zwart et al. (2020).

Geografie is dus geen lotsbestemming. Historici kunnen onderzoeken welke maatschappelijke factoren in het verleden hebben bijgedragen aan het beperken van de potentieel ongewenste effecten van geografische omstandigheden en klimaatverandering om op die manier kennis bij te dragen over de belangrijkste uitdaging van deze eeuw.

Pim de Zwart is Universitair Docent bij de afdeling Agrarische en Milieugeschiedenis van de Universiteit Wageningen. Hij heeft gepubliceerd over de relatie tussen globalisering, kolonialisme en wereldwijde economische ongelijkheid vanaf de vroegmoderne tijd. Zijn huidige onderzoek gaat over de relatie tussen globale handel en sociaaleconomische ongelijkheid in Zuidoost-Azië in de 19e en 20e eeuw en op welke manier deze relatie beïnvloed is door geografie, ecologie en instituties.

Historici.nl
Het KNHG is de grootste organisatie van professionele historici in Nederland. Het biedt een platform aan de ruim 1100 leden en aan de historische gemeenschap als geheel. Word lid van het KNHG.
Historici.nl
Terug naar de bron: de geschiedenis ontrafeld met nieuwe technologie. Dat is de missie van het Huygens ING, een onderzoeksinstituut op het gebied van geschiedenis en cultuur.