Historici.nl





Gepubliceerd op 19-07-2021

Dossier Ecogeschiedenis – Ontwatering en bodemdaling in de veenweidegebieden: een vicieuze cirkel

De laatste jaren woeden felle discussies over het waterpeil in de veenweidegebieden van Holland, Utrecht en Friesland. Moet dat laag gehouden worden, zoals de agrarische sector dat graag ziet, of moet het water dichter bij het oppervlak staan, zoals milieuorganisaties prefereren? Voor de betreffende gebieden en voor de landbouw is dit een existentiële kwestie. Als het grondwaterpeil hoger komt te staan, wordt de intensieve melkveehouderij in de veenweidegebieden onmogelijk. Als het peil laag wordt gehouden, daalt de bodem en verdwijnt uiteindelijk de veenlaag, terwijl grote schade wordt toegebracht aan wegen en gebouwen.

Dit probleem is ontstaan in de hoge middeleeuwen, rond het jaar 1000. De graaf van Holland en de bisschop van Utrecht trokken toen pioniers aan die zich als boer wilden vestigen in de tot dan toe vrijwel onbewoonde uitgestrekte veengebieden, en ook in Friesland trokken boeren het veen in. Veen is een grondsoort die voor meer dan 80 procent uit water bestaat en voor de rest uit resten van deels vergane planten. Wil je in zo’n nat milieu boeren, dan moet je het water afvoeren via sloten en sluisjes. Aanvankelijk was dat geen probleem omdat het veenpakket ruim boven de zeespiegel lang. Zo konden in de veengebieden gewassen worden geteeld en vee worden gehouden.

Wat men destijds echter niet besefte, was dat door de ontwatering een noodlottig proces op gang werd gebracht. Door de ontwatering werd de massa van het veen verkleind en ging de bodem inklinken. Ernstiger was nog dat er lucht kon komen in de poriën van de bouwvoor, waardoor de plantendeeltjes gingen oxideren en omgezet werden in CO2. Als gevolg daarvan daalde de bodem. In de veertiende eeuw was de hoogte van het veenpakket op vele plaatsen al zoveel verminderd dat het landoppervlak onder zeeniveau was komen te liggen. Daardoor werd het onmogelijk water af te laten stromen naar het buitenwater en werd eerst akkerbouw en uiteindelijk ook veehouderij onmogelijk. Dit op ontwatering gebaseerde gemengde bedrijf was dus verre van duurzaam. Dorpen werden verlaten en de inwoners trokken naar de stad of hoger gelegen gebieden.

Toch raakten de veengebieden niet helemaal ontvolkt, omdat een oplossing werd gevonden voor de afwatering. Windmolens met schepraderen konden het water oppompen naar het hogere buitenwater. In Holland gebeurde dat vanaf het begin van de vijftiende eeuw, in Friesland vanaf midden zestiende eeuw. Zo kon het land droog genoeg gemaakt worden voor veehouderij. In het najaar en de winter overstroomde het land vaak omdat de molens onvoldoende capaciteit hadden om dan grote hoeveelheden water weg te werken. De molens werden dan stilgelegd. Door de toepassing van windwatermolens en door de sterk toegenomen vraag naar zuivelproducten vanuit de groeiende Hollandse steden kon hier een succesvol melkveebedrijf opkomen. De bloei van dit bedrijf ging nauwelijks ten koste van het milieu omdat het land permanent onder gras bleef liggen – ploegen veroorzaakt veel meer oxidatie – en een deel van het jaar onder water stond. Hierdoor werden de processen van klink en oxidatie flink afgeremd.

Het melkveebedrijf van de vroegmoderne tijd was duurzamer dan het gemengde bedrijf van de middeleeuwen. Per ongeluk, omdat de molens niet genoeg capaciteit hadden. Aan dat probleem kwam een eind toen in de negentiende eeuw stoomgemalen werden geïntroduceerd. Die konden het hele jaar door werken en het waterpeil altijd op het gewenste niveau houden. Daardoor was het land in het voorjaar vroeger droog, werd het groeiseizoen van het gras verlengd en dus de hooiopbrengst verhoogd. De boeren konden daardoor meer koeien gaan houden en de melkproductie per koe verhogen. Zo konden ze meer produceren voor de steeds belangrijker wordende exportmarkten voor zuivel: eerst de Britse, later de Duitse en Belgische markten. De schaduwzijde hiervan was dat klink en oxidatie weer meer gingen opspelen. Het land lag immers langer droog en de lucht kon weer meer doordringen in de poriën.

Had de markt in de zestiende eeuw nog bijgedragen aan de opkomst van een duurzamer bedrijfstype, in de negentiende eeuw leidde de toenemende vraag naar zuivel naar een minder duurzaam bedrijf. De vicieuze cirkel waar men door de eerste ontginningen in terecht was gekomen, deed zich van nu af meer gevoelen. Meer pompen leidde tot meer bodemdaling, waar op gereageerd werd door krachtiger pompen te installeren, wat weer leidde tot verdere bodemdaling, enzovoort. 

Lange tijd werd dit als een agrarische kwestie gezien en werd het land zo diep bemaald als de boeren wensten. In de laatste jaren, met de problemen van klimaatverandering (CO2-uitstoot door oxidatie), zeespiegelstijging, toenemende schade aan funderingen en wegen, is echter duidelijk geworden dat we op een doodlopende weg zitten. Stoppen met bemalen dan? Dat betekent het einde van de landbouw in de veenweidegebieden en van een uniek historisch cultuurlandschap. Een tussenoplossing zou kunnen zijn: leren van de vroegmoderne tijd – hoger waterpeil en minder intensieve veehouderij. Zo wordt tegelijk een bijdrage geleverd aan de oplossing van het stikstofprobleem door vermindering van de veestapel in de veenweidegebieden.

Piet van Cruyningen is senior onderzoeker agrarische en milieugeschiedenis aan de Wageningen Universiteit

Historici.nl
Het KNHG is de grootste organisatie van professionele historici in Nederland. Het biedt een platform aan de ruim 1100 leden en aan de historische gemeenschap als geheel. Word lid van het KNHG.
Historici.nl
Terug naar de bron: de geschiedenis ontrafeld met nieuwe technologie. Dat is de missie van het Huygens ING, een onderzoeksinstituut op het gebied van geschiedenis en cultuur.