Historici.nl





#cultuur en kunst
#politiek en bestuur
#maatschappij
#wetenschap en techniek
#oorlog en krijgsmacht
#economie en financiën
#kerk en religie
#overzeese gebieden
#scheepvaart
#onderwijs
#recht
#kolonialisme
#erfgoed
#Tweede Wereldoorlog
#slavernij
#archieven
#Monarchie

Een hemelzuil voor Amsterdam, of de toren die er nooit kwam.

De Dam, het midden van de Gouden Eeuw. Groepjes kooplieden staan – soms uit verre oorden – met elkaar de stand van zaken in de wereldhandel te bespreken, straatverkopers van beiderlei kunne zitten met hun luidkeels aangeprezen waren op straat, een mevrouw en haar dienstbode doen boodschappen, een deftig gekleed jong paar bekijkt op hun gemak de stad, en wordt zwierig begroet door een kennis. Voor het Waaggebouw is het een drukte van belang; op de achtergrond rijst de elegante gevel van het nieuwe stadhuis op, symbool van de macht van deze bruisende metropool, de koepel bekroond met fraaie beelden. Daarnaast, nog hoger, wijst de Nieuwekerkstoren de stervelingen op de voorgrond op de betrekkelijkheid van al het aardse gewoel. Nog even en de machtige luiklokken zullen vermanend gaan beieren, de Amsterdammers oproepend in de Nieuwe Kerk Gods Woord te gaan aanhoren.

Zo had het moeten worden, en zo heeft de Gorcumse kunstenaar Jacob van der Ulft (1621-1689) het rond 1650 ook afgebeeld. Zo rijk als Amsterdam was, zo armoedig oogde het stadshart in de late jaren 1640. Het aftandse middeleeuwse stadhuis was al heel lang te klein en te krakkemikkig, terwijl de Nieuwe Kerk op 11 januari 1645 ook nog eens was afgebrand. De buitenlandse bezoekers die Van der Ulft afbeeldde waren geen vlucht van de verbeelding, en de Amsterdamse elite schaamde zich al lang voor hun afbrokkelende stadhuis. Maar ja het was nu eenmaal oorlog met Spanje, en elke baksteen zou moeten worden opgehoest door een toch al onder accijnzen kreunende en bepaald niet onmondige burgerij.

Gezicht op de Dam, door Jacob van der Ulft, 1654. Rijksmuseum.

Maar toen ook de Nieuwe Kerk was afgebrand, moest er toch echt wat gebeuren, legt de Amsterdamse bouwhistoricus Gabri van Tussenbroek uit. Het is 26 oktober 2017, en zijn aandachtig gehoor negeert zo goed en kwaad als het kan het geraas van de Damkermis. Dat stadshuis staat er, de kerk ook, maar die toren, die is er niet gekomen, ook al was dat in de jaren na 1645 wel degelijk de bedoeling. Hoe dat zo kwam is het onderwerp van het nieuwste boek van de hoogleraar stedelijke identiteit en monumenten, De toren van de Gouden Eeuw, net een dag eerder uitgebracht door uitgeverij Prometheus.

Ter plekke vertelt Van Tussenbroek hoe eindelijk de vrede met Spanje in zicht kwam, en dan zou Amsterdam eindelijk fondsen kunnen vrijmaken voor de noodzakelijke vernieuwing van het stadshart. De vroom calvinistische burgemeester Willem Backer (1595-1652), hoofd van de kerkse minderheid in het stadsbestuur, greep zijn kans: de Nieuwe Kerk moest zo snel mogelijk herbouwd worden, een klus die men in drie jaar klaarde, en daar moest dan ook een vingerwijzing naar God bijkomen, een ware hemelzuil die maar liefst 115 meter hoog moest worden – dertig meter hoger dan de Westerkerkstoren en een paar meter hoger dan de Domtoren van de oude vijand Utrecht.

Willem Backer, tussen 1617 en 1637 door een onbekende schilder. Amsterdam Museum, bruikleen Collectie Backer.

Onder Backers bezielende leiding ging men voortvarend van start. 6363 Noorse boomstammen gingen alvast de grond in als heipalen, een fundament werd opgemetseld en in de zomer van 1647 mocht Backers oudste zoon de eerste steen leggen. Een gegraveerd glas en een gedenkpenning in de kunstcollectie van de familie Backer herinnert nog aan dat heugelijke feit. Bovenop het fundament werd de vierkante torenvoet gebouwd, voorzien van drie poorten waardoor de Amsterdammers ter kerke konden gaan.

In de beschutting van die torenvoet vertelt Van Tussenbroek hoe het stadsbestuur ondertussen nog helemaal niet besloten had hoe de toren er zou komen uit te zien. Verschillende ontwerpen zijn bewaard gebleven, waaronder een tekening van een op de Haarlemse Bavo gemodelleerde toren door Jan Adriaensz Leeghwater (1575-1650) en ook een aan architect Jacob van Campen (1596-1657) toegeschreven torenmodel in de collectie van het Amsterdam Museum. Zijn classicistische ontwerp sloot uiteraard mooi aan bij de plannen die Van Campen ontwikkelde voor het nieuw te bouwen Amsterdamse stadhuis.

Burgemeester Backer had echter haast: zodra de vrede zou zijn gesloten, zou de meerderheid in het stadsbestuur de voorrang geven aan de bouw van een nieuw stadhuis, dat een waar burgerpaleis moest worden. Hoe rijk Amsterdam ook was, het stadsbestuur had te weinig belastinginkomsten om zowel kerktoren als nieuw stadhuis te laten bouwen, en dan zou de torenbouw mogelijk worden uitgesteld, zo niet gestaakt. Van Tussenbroek rekent voor hoe de Amsterdamse stadsfabriek, verantwoordelijk voor onderhoud en bouw van publieke bouwwerken, toch al zes ton per jaar opslokte, een enorm bedrag voor die tijd.

De politieke ontwikkelingen werkten Backer tegen: in 1648 werd de vrede gesloten en hijzelf werd voor de tijd van drie jaar weggepromoveerd naar Den Haag. De torenbouw liep zonder zijn aanwezigheid behoorlijke vertraging op, want de veel vrijzinniger meerderheid van het stadsbestuur koesterde meer begeestering voor de plannen voor een schitterend nieuw stadhuis.

Door het smalle trappenhuis leidt Van Tussenbroek ons naar het dak van de torenvoet, wat een op zich al indrukwekkend uitzicht biedt op de verkeersdrukte op de Nieuwezijds Voorburgwal. Daar vertelt hij waarom men uiteindelijk niet verder kwam dan de torenvoet. Een drietal gebeurtenissen was daar verantwoordelijk voor: in de nacht van 6 op 7 juli 1652 brandde het oude Amsterdamse stadhuis af, waarmee het stadsbestuur acuut dakloos was geworden. Kort daarop brak opnieuw oorlog uit, dit keer met Engeland, en ook nu weer zou Amsterdam een groot deel van de oorlogskosten moeten dragen. En tot overmaat van ramp overleed ook nog eens de grote voorstander van de torenbouw. Op 5 oktober 1652 verwisselde Willem Backer, de ‘gouden kerkpilaar’ zoals een lofdichter hem noemde, het tijdige voor het eeuwige.

De torenbouw werd gestaakt, tientallen jaren gingen heen met de bouw van het stadspaleis aan de Dam. De torenvoet bleef wat verloren staan, totdat men in 1783 besloot twee derde af te breken om de verkeersdoorstroming te verbeteren. Wat er overbleef is nu de enige tastbare herinnering aan hoe in het Amsterdam van de Gouden Eeuw de burger belangrijker was geworden dan God.

Gezicht op de Nieuwe Kerk en het stadhuis, door Isaac Ouwater, c. 1780-1790. Rijksmuseum.

– Henk Looijesteijn

 

Dit nooit muur
Door Miel Groten
Dossier werkdruk | De historicus in de prestatiemaatschappij
Door Tessa Hofland
Geschiedenis ontdekken op locatie
Door Laurie Slegtenhorst
Historici.nl
Het KNHG is de grootste organisatie van professionele historici in Nederland. Het biedt een platform aan de ruim 1100 leden en aan de historische gemeenschap als geheel. Wordt lid van het KNHG.
Historici.nl
Terug naar de bron: de geschiedenis ontrafeld met nieuwe technologie. Dat is de missie van het Huygens ING, een onderzoeksinstituut op het gebied van geschiedenis en cultuur.