Historici.nl





#cultuur en kunst
#politiek en bestuur
#maatschappij
#wetenschap en techniek
#oorlog en krijgsmacht
#economie en financiën
#kerk en religie
#overzeese gebieden
#scheepvaart
#onderwijs
#recht
#erfgoed
#kolonialisme
#Tweede Wereldoorlog
#archieven
#slavernij
Door Toon Kerkhoff
11-11-2015
Toon Kerkhoff

Van de reparatie van een schaakspel tot (te) dure flessen wijn: Corruptie in historisch perspectief en de noodzaak van publiek debat

Download dit artikel ook als PDF-bestand.

  • Ideeën over goed bestuur zijn altijd historisch gegroeid en context gebonden.
  • Historisch onderzoek naar ideeën over goed bestuur toont een complexe interactie tussen sociale en institutionele context en veranderende publieke moraal.
  • Debat rondom schandalen in verleden en heden laat zien dat discussie niet alleen onvermijdelijk maar ook essentieel is voor de voortdurende aanscherping en ontwikkeling van publieke moraal.
  • Historisch onderzoek levert ook andere belangrijke lessen op voor het heden, zoals – vooral – een gezonde dosis relativisme en pragmatisme in hedendaags anti-corruptie en integriteitsbeleid.

Inleiding

Grofweg sinds begin jaren negentig van de twintigste eeuw zijn corruptie en integriteit in Nederland hernieuwd op de wetenschappelijke, politieke en maatschappelijke agenda gekomen. Dat heeft zich deels vertaald in onderzoek waaruit een beeld naar voren komt van het bestaan van corruptie in Nederland in heden en verleden. Wie, bijvoorbeeld, recente indexen van Vrij Nederland, een database met historische schandalen, onderzoek van het BIOS of voortdurende berichtgeving in de media bekijkt, vindt daar allerlei grote en kleine schandalen omtrent het niet zo zuivere gedrag van Nederlandse bestuurders. Nederland is en was niet zo ‘schoon’ als vaak wordt gedacht.

Een van de opvallende zaken in recente discussies over goed en slecht bestuur is dat deze vaak gepaard gaan met een zekere historische nieuwsgierigheid. Zo valt de vraag te ontdekken of het in het verleden erger of juist beter was gesteld met het gedrag van ‘onze’ bestuurders. Enerzijds lijkt de angst voor en weerzin tegen een ‘regententijdperk’ er behoorlijk in te zitten (zie Te Velde, 2005). Anderzijds is er ook een – nogal controversiële  – hunkering naar een ‘VOC- mentaliteit’ in maatschappij en bestuur te ontdekken, waarin de zogenaamde handelsgeest, daadkracht en durf uit het verleden weer centraal zouden moeten staan; ook voor de ‘ondernemende bestuurder’ van de eenentwintigste eeuw.

Als onderdeel van het debat hebben ook historici en historisch geïnspireerde bestuurskundigen zodoende aandacht voor corruptie en goed en slecht bestuur. In recente jaren is vooral getracht het gedrag van bestuurders in het verleden vooral te begrijpen in de context van de tijd (om niet in de valkuil van anachronisme te vallen). Ook in een groot project naar veranderende waardensystemen in de Nederlandse geschiedenis tussen 1650 en 1950 – waar ondergetekende deel van uitmaakte – is geprobeerd aan te geven hoe men op enig moment over goed en slecht bestuur dacht in deze periode. Bovendien is bekeken of en, zo ja, wanneer en waarom het denken over goed bestuur in deze periode eigenlijk veranderde. Archiefonderzoek voor drie proefschriften naar debatten rondom een reeks corruptieschandalen (Hoenderboom, 2013; Kerkhoff, 2013b; Kroeze, 2013) heeft een complex beeld opgeleverd van continuïteit en verandering. Hoewel het geenszins een onvermijdelijke lineaire ontwikkeling betrof en hoewel verandering zeker ook geleidelijk en incrementeel was, laat driehonderd jaar Nederlandse corruptiegeschiedenis uiteindelijk wel een proces zien van een met horten en stoten verschuivende publieke moraal. Grote factoren in een complexe politieke, sociale en economische context waren vooral staatsvorming, bureaucratisering, democratisering en het ontstaan van politiek, de opkomst van een bredere publieke sfeer met bijbehorend debat in media en een nadrukkelijke afbakening van publiek en privaat.

Het voert te ver om in deze bijdrage op alle conclusies en bevindingen uit de drie proefschriften in te gaan (zie echter: Kerkhoff e.a., 2010; Kerkhoff e.a., 2013). In plaats daarvan wordt in het onderstaande kort gekeken naar nut en noodzaak van historische duiding van corruptie en integriteit voor hedendaagse discussies over deze onderwerpen. Dat gebeurt aan de hand van twee (korte) voorbeelden van schandalen uit verleden (over Bataafse directeuren) en heden (over voormalig VVD-Kamerlid Mark Verheijen). Het betreft hier in de eerste plaats interessante voorbeelden van momenten van morele herijking en – mogelijk verrassende? – voorbeelden van continuïteit in de geschiedenis. De voorbeelden dienen daarnaast om het nut van historisch onderzoek naar corruptie aan te tonen. Centraal staat echter dat historisch onderzoek het belang van discussie over corruptie aantoont. Discussie is vanwege de vrijwel permanente aanwezigheid van slecht bestuur niet alleen onvermijdelijk, maar ook noodzakelijk om grip te krijgen op inherent veranderlijke zaken als corruptie, publieke waarden, moraal en integriteit.

 

Jenever, laken en gezouten vlees: Bataafse corruptie in 1798

Na de Bataafse revolutie van 1795 was er sprake van grote institutionele veranderingen in de Republiek. Deze veranderingen gingen hand in hand met nieuwe – en deels hernieuwde – discussies over publieke moraal en goed bestuur. Debat aangaande een geval van ‘corruptie’ in 1798, waarbij leden van het radicale Uitvoerend Bewind waren betrokken, laat deze veranderingen duidelijk zien. De directeuren Wybo Fijnje (1750 – 1809), Pieter Vreede (1750 – 1837) en vooral Stephan van Langen (1758 – 1847) hadden, zo bleek, hun eigen fabrieken en bedrijven bevoordeeld inzake de levering van laken, jenever en gezouten vlees aan Franse troepen die sinds de Franse hulp bij de omwenteling van 1795 in de Republiek gelegerd waren. De directeuren hadden geld van de onlangs genationaliseerde Verenigde Oost-Indische Compagnie gebruikt, of hiervan geweten, om de levering van deze goederen door eigen fabrieken te betalen. Via een omweg kwam zo ‘publiek geld’ in private zakken terecht. Met het einde van het radicale Uitvoerend bewind, na de staatsgreep van 12 juni 1798, kwam deze gang van zaken aan het licht als gevolg van onderzoek door parlement en het nieuwe Intermediaire Uitvoerend Bewind. De discussie die hierop volgde laat veel interessants zien (voor de complete casus zie: Kerkhoff, 2013a ). In het onderstaande komen slechts twee zaken kort aan bod.

Een eerste opvallend gegeven is dat hernieuwd denken over goed bestuur in die periode plaatsvond in de context van het streven om een einde te maken aan het oude federalisme en particularisme van de Republiek. Staatsvorming, centralisatie en het optuigen van een nieuw en professioneler politiek en bestuurlijk apparaat (zoals een parlement) met meer gestandaardiseerde procedures (zoals uniforme wetgeving) leidden tot discussie over goed bestuur. Het debat ging – hoewel eerder impliciet dan expliciet – met name over de vragen waar macht en gezag eigenlijk vandaan kwamen en moesten komen, wiens belangen de overheid zou moeten dienen en hoe een sterke centrale overheid zich dus had te gedragen. In het kielzog van relatief nieuw opgekomen ideeën aangaande (volks)soevereiniteit, representatie, en ‘nationaal’ belang, sprak menigeen zich uit tegen het voor eigen gewin gebruiken van publieke middelen door de directeuren van de Bataafse Republiek.

De zaak toont eveneens mooi aan hoe de discussie zich toespitste op wenselijkheid van een duidelijker scheiding tussen publiek en privaat in relatie tot goed bestuur. Zo laat het debat omtrent het gedrag van de voormalige directeuren zien hoe de scheidslijn tussen ‘corrupt’ en ‘niet corrupt’ nu expliciet werd gebaseerd op een breder idee van het publieke belang en de politieke gemeenschap. Met een eenheidsstaat en een centrale overheid voor alle voormalig autonome gewesten was de idee van die gemeenschap, en dus van de publieke sfeer, gegroeid. In lijn met denkbeelden die als zeker sinds Van der Capellen en andere Patriotten werden geuit (vgl. Kerkhoff, 2014) hadden ‘goede’ bestuurders bredere belangen te dienen dan alleen de eigen of die van een kleine groep (de regenten oligarchie van het ancien régime).

Bovenstaande elementen in de discussie werden treffend verwoord door het Intermediair Uitvoerend Bewind zelf. In hun rapport over het gedrag van het voormalige Radicale bewind – samengesteld door het bureau van advocaat-generaal C.F. Van Maanen – sprak men van “zucht tot zelfbehoud” en “zelfverheffing” wat geleid zou hebben tot de instorting van “het nauwelijks opgetrokken gebouw [van de Bataafse Republiek, TK]” (Pijman e.a., 1798: 27). Het karakter van de leden van het voormalige uitvoerend bewind werd dus nadrukkelijk ter discussie gesteld. In plaats van landsbelang was het hen te doen geweest om eigenbelang. Het onderzoek toonde volgens het Intermediair bewind aan dat men onder de voormalige directeuren geen mannen zou vinden “wier kunde, getrouwheid en moed als drangredenen hunner wederrechtelijke continuatie ter constituerende vergadering opgegeven zijn”. In plaats daarvan “bewijst alles onkunde, nalatigheid, slordigheid en ontrouw” (Pijman e.a., 1798: 30).

Een tweede opvallend gegeven in het debat rondom Van Langen en anderen was de nadruk op de financiële huishouding van de voormalige directeuren en hun handelen uit financieel eigenbelang in het bijzonder. In appendices van het rapport van Van Maanen zijn hele lijsten met uitgaven van voormalig VOC-geld voor allerlei privéaangelegenheden en ‘luxe-items’ te vinden. Zo was er f 697 betaald voor de huur van rijtuigen; f 242 voor de aankoop van hoeden voor collega-directeuren Fokker en Wildrik; f 15 voor de reparatie van meubilair; f 5 voor de aankoop van een set theekopjes en f 2 voor de reparatie van een schaakspel.

Dat het hier om kleine bedragen ging, deed aan de verontwaardiging weinig af. Het Intermediair Bewind wond er geen doekjes om. Het rapport stelde dat het “Bataafse volk, die natie zo zeer wegens hare zuinigheid beroemd, en eenvoudigheid, boven alles, bij hare bestuurders verlangende de penningen door weduwen en wees met zoo veel moeiten tezamen gebracht zien dienen om ene kostbare huishouding voor drie harer medeburgers gaande te houden […]”. Het rapport veroordeelde hiermee duidelijk  de vermeende verspilling van ‘zuur verdiend geld’ in economisch moeilijke tijden. Het Intermediair bewind schreef verder: “zo hebben wij in deze geldloze tijden, door de natie en het costume en den schouwburg en het rijtuig zien betalen, welke hare bewindslieden dienden, om hunnen tijd in een ijdele vertoning te verspillen, terwijl een groot aantal ingezetenen dagen op dagen vruchteloos verlangden om voor weinige ogenblikken te worden gehoord” (Pijman e.a., 1798: 34).

Ook in de verdere discussie kwamen soortgelijke sentimenten terug. Het persoonlijk gedrag van de voormalige directeuren van de Bataafse Republiek was een goed bestuurder onwaardig. Zeker in tijden van (vermeend) nationaal, moreel en economisch verval werd dit gedrag als uitermate extravagant en dus – klaarblijkelijk – als ‘corrupt’ gezien. Als men de Republiek ooit weer in haar oude glorie wenste te herstellen dan moesten haar publieke functionarissen toch wel een ‘nieuw’ publiek belang gaan dienen in plaats van hun eigen zakken te (blijven) vullen.

In een weerwoord meende Pieter Vreede zelf dat zaken toch wel schromelijk overdreven werden. Het moest eigenlijk niet veel gekker worden. Hoewel het weinig zal hebben uitgemaakt voor de verdere gang van zaken – de teerling van verandering leek geworpen en de grens van behoorlijk bestuur was expliciet gesteld – was de verdediging van het voormalige bewind, bij monde van Vreede, belangwekkend. Verontwaardigd en vol sarcasme schreef hij dat het toch allemaal wel reuze meeviel. Hij zegt “verdient dat berisping? Is dat overdaad? […] Maar de directeuren zijn naar de komedie geweest? Dat zijn we. Na een arbeid van den gehele dag, die de meesten tijd nog ‘s avonds moest hervat worden, hebben zij van tijd tot tijd een uur of twee à drie met tussenpauzes genomen, dikwijls vergezeld van enige hunner agenten, om door een onschuldig vermaak zich te herstellen en met vernieuwde krachten weder aan het behartigen der vaderlandse belangen handen aan het werk te slaan. Is dat misdadig?” (Vreede, 1798: 39-41). Over de rijtuigen en de ‘luxe diners’ schreef Vreede dat het ook hier toch juist matigheid was betracht. Hij was van mening dat twee koetsen voor vijf directeuren toch geen overdaad kon heten toen hij schreef: “de vijf directeuren, de eerste ambtenaren van de Republiek, hebben met hun vijven, twee koetsen bij de maand te huur gehad. Zou het een schande zijn geweest dat zij er vijf in eigendom bezeten hadden?” Over zogenaamd luxe diners schreef Vreede bovendien: “onze tafel was ordelijk, dikwerf sober, nooit verkwistend – en onze dronk volkomen vrij, en is niet éénmaal, en in geen een geval de palen der gestrenge matigheid te buiten gegaan […]” (Vreede, 1798: 39-41).

De zaak rondom Van Langen en anderen laat zien dat er sprake was van verandering in debat. Hand in hand met complexe sociale ontwikkelingen – alsmede politieke strijd tussen Bataven onderling! – kwam ook het thema ‘goed bestuur’ aan bod. Gedrag wat voorheen redelijk normaal was bevonden, werd nu fel bekritiseerd. Het was een cruciaal moment in de voortdurende herijking van de publieke moraal. Tegelijkertijd doet de zaak ook denken aan meer recente voorbeelden van  ‘corrupte’ bestuurders.

 

Onterechte declaraties en dubieuze relaties: corruptie in 2015

In februari 2015 ontstond er een interessante discussie en veel publieke en politieke verontwaardiging over het handelen van VVD-Kamerlid Mark Verheijen. In zijn tijd als gedeputeerde in Limburg bleek hij voor enkele duizenden euro’s ten onrechte gedeclareerd te hebben, zoals dienstreizen, terwijl hij daarnaast ook zijn reiskostenvergoeding behield. Bovendien had Verheijen campagnekosten van de VVD in rekening gebracht bij de provincie. Als stichtingsbestuurder van de plaatselijke Floriade had Verheijen, zo bleek later, ook een campagnebezoek van Mark Rutte tijdens de Floriade van 2012 gefinancierd. Vanuit partijpolitieke overwegingen was het wellicht een logisch gebaar. Tegelijkertijd was deze gift dubieus omdat het Floriade-project werd afgesloten met 9 miljoen euro verlies, waar de Limburgse gemeenten die erin participeerden voor op moesten draaiden.

Ernstiger nog dan declaraties en campagnebijeenkomsten was voor menigeen de relatie tussen Verheijen (als wethouder Economische Zaken in Venlo) en projectontwikkelaar Piet van Pol en de suggestie van omkoping. Weekblad Elsevier onthulde in november 2015 een bedelbrief van Verheijen aan Van Pol. In de zogenaamde ‘Beste Piet’-brief’ nodigde Verheijen Van Pol uit “te investeren in een beter Venlo” door een bijdrage in de campagnekas te storten. Van Pol reageerde door in totaal iets meer dan 10.000 euro te doneren, mogelijk in ruil voor steun van Verheijen voor plannen om een bioscoopproject in Venlo te realiseren. Ook de banden tussen Verheijen (en Van Pol!) en de destijds al van belangenverstrengeling verdachte “Limburgse zonnekoning” Jos van Rey waren voor velen een punt van zorg. Nadat Verheijen nog enige tijd was blijven zitten als Kamerlid in afwachting van een intern onderzoek door de integriteitscommissie van de VVD, viel eind februari 2015 alsnog het doek met zijn vertrek uit de kamer.

De discussie rondom het handelen van Mark Verheijen laat, net als bij Van Langen en anderen, enkele relevante dingen zien. In de eerste plaats gaat het ook hier natuurlijk om een interessante discussie over goed bestuur. De meningen over het gedrag van Verheijen liepen uiteen. Peter de Koning, voorzitter van de VVD in Limburg, nam het direct voor Verheijen op door het beeld te schetsen van een ambitieuze politicus die het slachtoffer was van de affaire rondom Jos van Rey. Het was geen opzet maar onoplettendheid en slordigheid geweest; Verheijen was eigenlijk volstrekt integer. Ook premier Rutte en VVD-fractieleider Zijlstra namen het in een snel oordeel op voor Verheijen, waarbij Rutte de hele kwestie als “opgeblazen en opgepompt” bestempelde. In juli 2015 liet Limburgs gedeputeerde Ger Koopmans (CDA, bedrijfsvoering) zich bovendien ontvallen dat Verheijen slachtoffer was geweest van alle openheid die tegenwoordig betracht wordt bij het vrijgeven van bonnen. Dat laatste had alleen maar tot “verkeerde interpretatie” geleid. Verheijen zelf gaf na verloop van tijd toe dat het allemaal niet zo handig was geweest en dat hij steken had laten vallen. Tegelijkertijd was hij “politicus, en geen heilige”. Hij was bovendien wellicht naïef geweest maar ook integer. Voordat excuses volgden was zijn allereerste reactie bovendien dat onderzoek door het NRC een “tendentieus artikel met aanwijsbare fouten” betrof.

Toch werd het gedrag van Verheijen door de meeste mensen veroordeeld. Veel VVD’ers beklaagden zich over zijn handelen. Ook Rutte en Zijlstra moesten het vertrek van Verheijen uiteindelijk ondersteunen en gaven toe dat hun eerste reactie niet goed was geweest, al gebeurde dat pas nadat de integriteitscommissie van de VVD met haar rapport was gekomen. Uit het bredere debat kwam bovendien vooral naar voren dat een kamerlid van ‘onbesproken gedrag’ moet zijn. Zelfs de schijn van verkeerd handelen moest te allen tijde vermeden worden. Kernwaarden in het debat waren transparantie, openheid en vertrouwen (in de politiek). Bovendien kwam de vermenging tussen publiek en privaat veelvuldig aan bod. Hans van den Heuvel gaf op Radio 1 commentaar en benoemde de relatie tussen (ex)politici en bedrijfsleven als mogelijk oorzaak van de problemen. Het vermengen van de publieke zaak met privaat gewin werd ook hier (vergelijk Van Langen) niet als goede zaak gezien. Bas Heijne verwoorde dit sentiment in een column naar aanleiding van de zaak Verheijen. Hij verbond corruptie hier namelijk duidelijk het niet integere gedrag van Verheijen aan wat voor Heijne het politieke dogma van de VVD was. Voor Heijne had het VVD idee van een sterk terugtrekkende overheid tot gevolg dat bestuurders door de VVD enkel werden gezien als mensen die commerciële partijen dienden te faciliteren. Heijne voert als voorbeeld ook de verdediging van de voor corruptie veroordeelde VVD-gedeputeerde Ton Hooijmaijers aan. Die laatste had immers gezegd dat de overheid een serviceloket moet zijn voor het bedrijfsleven.

Een tweede interessant aspect in de zaak Verheijen (en andermaal een overeenkomst met de Bataafse zaak) was dat morele verontwaardiging vooral voort leek te komen uit het feit dat hij kennelijk niet inzag dat zijn handelen niet paste in de context van zijn tijd. De verkeerde declaraties, campagne financiering en (mogelijke) omkoping werden als fout betiteld maar leken vooral symptomen van een dieperliggende kritiek op de houding van bestuurders. Cruciaal was een diner met Van Pol en Van Rey ter waarde van 2.631 euro waarvan Verheijen een kwart declareerde bij de provincie omdat het nu eenmaal een soort werkoverleg was over de ontwikkeling van Roermond Midden-Limburg. Vooral het nuttigen van flessen wijn van 127 euro per stuk schoot veel mensen in het verkeerde keelgat. Ook Verheijen vond dat achteraf toen hij tekst en uitleg gaf. Hij zei dat hij “redelijk laat was aangeschoven” en dat hij zich “met de keuze van het restaurant niet bemoeid had”. Bovendien gaf hij toe dat het anders gekund en gemoeten had toen hij toegaf: “wijn van 127 euro past niet bij de soberheid die van een bestuurder gevraagd wordt. Ik was niet op de hoogte van de prijs van de wijn.”

In de kern van de zaak was het diner en de bijbehorende declaratie voor velen een goede bestuurder onwaardig, hoewel strikt genomen juridisch geoorloofd. Het doet – overigens – denken aan de Engelse bonnetjesaffaire van enkele jaren geleden waarbij juist de kleine declaraties (met de aanschaf van een eenden huisje voor het buitenhuis van een parlementslid als symbool) veel stof deden opwaaien. Het gedrag van Verheijen werd opgevat als verspilling en wangedrag in een tijd van economische crisis, waarin iedereen toch immers de broekriem aan moest halen. Verheijen voelde niet aan dat dit kennelijk niet in orde was en leek het contact met de samenleving en de publieke zaak verloren te zijn. Bovendien werd Verheijen in de publieke opinie geplaatst als de zoveelste ‘corrupte bestuurder’ en als zoveelste voorbeeld van algemeen politiek bederf, in rijtjes met namen als Co Verdaas, genoemde Ton Hooijmaijers, Sjoerd Swane, Ricardo Offermans en vele anderen.

 

Over het belang van publiek debat

Bovenstaande schandalen laten – noodzakelijkerwijs beknopt – zien hoe er op beide momenten over goed en slecht bestuur werd gedacht en waarom bepaald gedrag ter discussie werd gesteld. Beide momenten vertonen overeenkomsten waarvan de meest in het oog springende wel is dat het stellen van nieuwe grenzen tussen ‘corrupt’ en ‘niet corrupt’ gedrag vooral moet worden begrepen in een tijd van politiek en vooral economisch onbehagen. Meer dan iets anders lijkt het in beide gevallen zo te zijn dat bestuurders als corrupt worden gezien als zij het contact met de burger en de samenleving verloren hebben. Men kan zich immers afvragen of een fles wijn van 127 euro of de reparatie van een schaakspel van f2 ook in tijden van economische voorspoed tot dezelfde ophef zou hebben geleid. Bovendien laten beide voorbeelden zien hoe schandaal en publiek debat een cruciale rol speelden in de morele herijking van bestuur en samenleving. Het belang van dat laatste mag niet worden onderschat. Het toont namelijk aan dat schandaal of ophef over (vermeend) bestuurlijk wangedrag essentieel is om grip te krijgen op lastige en vage concepten als corruptie, integriteit en publieke waarden. Debat blijkt noodzakelijk voor de aanscherping en ontwikkeling van publieke moraal omdat het de gelegenheid biedt eens expliciet met elkaar van gedachten te wisselen over goed en fout bestuur en hoe men met elkaar om wenst te gaan. Debatten over corruptie zijn onderdeel van een gezond bestuurlijk stelsel in beweging. In een wereld waar corruptie in al haar verschijningsvormen redelijkerwijs toch niet volledig valt uit te bannen, is dat een nuttig besef. Beter dan het stellen van meer regels is dus het stimuleren van publiek debat, zeker ook omdat moraliteit zelden een juridische kwestie is. In dat opzicht mag corruptie of de schijn daarvan nooit gebagatelliseerd worden en moet ook anti-corruptiebeleid uit meer dan regels en wetten bestaan.

 

Historisch besef en overige lessen voor het heden

Historisch onderzoek naar corruptie schandalen levert voor het heden ook andere interessante lessen op. Een zo’n les is dat corruptie ook tegenwoordig als een contextueel en contingent fenomeen moet worden beschouwd. Gedrag wat in het verleden of in een andere (culturele) context goed was of is, kan nu en op andere plaatsen immers worden afgekeurd en andersom. Gebrek aan (historisch) besef omtrent corruptie blijkt helaas keer op keer uit een belerend opgestoken vingertje van zogenaamd minder naar zogenaamd meer corrupte politieke en bestuurlijke contexten, bijvoorbeeld door Wereldbank, IMF, Verenigde Naties of Transparency International. Op basis van historisch inzicht en onderzoek zouden dergelijke instanties voorzichtiger moeten zijn met vergelijkingen tussen heden en verleden en tussen plaatsen met een verschillende context en bijbehorend idee van goed bestuur. Er zou meer rekenschap gegeven kunnen worden van het feit dat de vraag wat goed bestuur is altijd in sterke mate afhangt van door wie, waar en wanneer die vraag gesteld wordt. Wat corrupt is wordt, in heden en verleden, bepaald door strijd en onenigheid over publieke waarden en krijgt betekenis in een bredere institutionele context. Dat laten ook de voorbeelden zien. Ieder publiek waardestelsel is het product van een unieke omgeving en referentiekader en moet als zodanig begrepen worden. Het zou dus goed zijn als men zich bewust is van de contextgebondenheid van de eigen publieke waarden voordat er een discussie plaatsvindt over die van een ander of voordat waardesystemen uit één deel van de wereld aan anderen elders ter wereld worden opgelegd. Dit laatste zou overigens een normatieve discussie over verschillen geenszins in de weg hoeven staan.

Tot slot laat historisch onderzoek naar corruptie – en bovengenoemde voorbeelden daarvan – zien dat het tegenwoordige denken over goed bestuur vorm heeft gekregen in eeuwen van bewuste én onbewuste sociaal-politieke ontwikkeling. Dat mag niet worden gezien als een open deur, want de consequenties reiken ver. Het betekent namelijk boven alles dat het succes van pogingen om de publieke moraal te veranderen, bij te sturen of te verbeteren – vergelijk bijvoorbeeld de introductie van de Balkenende-norm, een code-Tabaksblat, een bankierseed of een andere willekeurige gedragscode – niet zelden ook af zal hangen van tijd, geduld en toeval. Hoewel dit een doelbewust streven naar een minder corrupt en meer integer openbaar bestuur niet in de weg mag staan, levert het wel gezonde realiteitszin op.

 

Literatuur

Enkele delen van dit betoog zijn afkomstig uit een eerder verschenen stuk over corruptie in Nederland tussen 1750 en 1850 in Civis Mundi #17.

  • Hoenderboom, M. P. (2013). Scandal, Politics and Patronage: Corruption and Public Values in the Netherlands (1650-1747). Unpublished Unpublished PhD dissertation, Vrije Universiteit, Amsterdam., Amsterdam.
  • Kerkhoff, A. D. N. (2013a). Changing Perceptions of Corruption in the Netherlands: From Early Modern Pluralism to Modern Coherence. Journal of modern European history, 11(1), 88-108.
  • Kerkhoff, A. D. N. (2013b). Hidden Morals, Explicit Scandals. Public Values and Political Corruption in the Netherlands (1748 – 1813). Unpublished Unpublished PhD dissertation, Leiden University, Leiden.
  • Kerkhoff, A. D. N. (2014). Early Modern Developments in Dutch Public Administration: Patriot and Batavian Authors on Public Morality (1770s – 1813) Administrative Theory & Praxis, 36(1), 73-94.
  • Kerkhoff, A. D. N., Hoenderboom, M. P., Kroeze, D. B. R., & Wagenaar, F. P. (2010). Dutch Political Corruption in Historical Perspective: From 18th century Value Pluralism to a 19th Century Dominant Liberal Value System and Beyond. In N. Grüne & S. Slanička (Eds.), Korruption. Historische Annäherungen an eine Grundfigur politischer Kommunikation. (pp. 443-468). Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht.
  • Kerkhoff, A. D. N., Kroeze, D. B. R., & Wagenaar, F. P. (2013). Corruption and the Rise of Modern Politics in Europe in the Eighteenth and Nineteenth Centuries: A Comparison between France, the Netherlands, Germany and England. Introduction. Journal of modern European history, 11(1), 19-30.
  • Kroeze, R. (2013). Een kwestie van politieke moraliteit : politieke corruptieschandalen en goed bestuur in Nederland, 1848-1940. Hilversum: Verloren.
  • Pijman, G. J., Gogel, I. J. A., La Pierre, A. J., Spoors, J., & Tadama, R. W. (1798). Memorie door de leden van’t Intermediair Uitvoerend Bewind der Bataafsche Republiek, aan de eerste kamer van’t vertegenwoordigend lichaam; houdende hunne verantwoording van het door hun verrigten op en na den 12 juny 1798 met een schtes van het geen verder dient te worden verrigt [Memorandum by the members of the Interim Executive], Knuttel 22998. Den Haag.
  • Te Velde, H. (2005). Regentenmentaliteit. Hoe Nederlands is politiek in Nederland? (Inaugural lecture ed.). Leiden.
  • Vreede, P. (1798). Verandwoording van Pieter Vreede, lid van het voormalig Uitvoerend Bewind, aen de Bataefsche Natie en aen haere vertegenwoordigers, ingegeven by de Eerste Kamer der Wetgevende Vergadering, den 9 october 1798 [Justification by Pieter Vreede]. Te Leyden: by H. Coster en P.H.Trap.

 

Geen gevonden
Toon Kerkhoff
Dr. Toon Kerkhoff studeerde Geschiedenis en Filosofie van een Wetenschapsgebied aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is momenteel universitair docent Bestuurskunde aan de Universiteit Leiden waar hij in 2013 promoveerde op een proefschrift over corruptie en veranderende publieke waarden in de Nederlandse geschiedenis tussen 1750 en 1813. In onderwijs en onderzoek verbindt hij geschiedenis met bestuurskundige vragen over organisatie, management, beleid en ethiek van het openbaar bestuur. Hij is mede oprichter van het Center for Public Values & Ethics, publiceert in verschillende tijdschriften en is co-redacteur en co-auteur van het boek Duizend jaar Openbaar Bestuur in Nederland.
Alle artikelen van Toon Kerkhoff
Historici.nl
Het KNHG is de grootste organisatie van professionele historici in Nederland. Het biedt een platform aan de ruim 1100 leden en aan de historische gemeenschap als geheel. Wordt lid van het KNHG.
Historici.nl
Terug naar de bron: de geschiedenis ontrafeld met nieuwe technologie. Dat is de missie van het Huygens ING, een onderzoeksinstituut op het gebied van geschiedenis en cultuur.