Historici.nl





#opstand
#cultuur en kunst
#politiek en bestuur
#maatschappij
#wetenschap en techniek
#oorlog en krijgsmacht
#economie en financiën
#kerk en religie
#overzeese gebieden
#scheepvaart
#onderwijs
#erfgoed
#archieven
#kolonialisme
#recht
#Tweede Wereldoorlog
#gender
#inclusiviteit
#slavernij
Gepubliceerd op 13-02-2015
Door demelzavandermaas
demelzavandermaas

Het DWDD Pop-Up Museum: ‘Ik heb eindelijk gelachen in een tentoonstelling, ik wist niet dat dat mocht’

Op 31 januari 2015 opende het pop-up museum van De Wereld Draait Door zijn deuren in het Amsterdamse Allard Pierson Museum. De feestelijke opening werd luister bijgezet door de aanwezigheid van gastconservatoren Joost Zwagerman, Cecile Narinx, Nico Dijkshoorn, Pieter van Vollenhoven, Nico de Haan, Jan Mulder, Halina Reijn, Fidan Ekiz, Herman Pleij en Marc Marie Huijbrechts. In de speciale uitzending voorafgaand aan de opening glunderden Matthijs van Nieuwkerk, gelegenheidstafelheer Wim Pijbes en minister Bussemaker bijna van het scherm af. Nog vóór de eerste bezoeker voet over de drempel zette was de tentoonstelling al een doorslaand succes. Van Nieuwkerk blij, Bussemaker blij, iedereen blij. Of toch niet? Zowel de media als de kunst- en museumwereld bleken verdeeld over het initiatief. Mediapartner NRC was zo enthousiast dat er een speciale ‘pop-up krant’ verscheen en Rutger Pontzen van de Volkskrant noemde het pop-up museum ‘een sympathiek initiatief met een verassende uitkomst’. De wat minder positieve reacties richtten zich voornamelijk op het mediacircus rondom de tentoonstelling, de ‘ijdeltuiterij’ van de gastconservatoren en de vrees voor een toekomst vol oppervlakkige en vluchtige pop-up musea. Kortom, het DWDD pop-up museum werd door sommigen gezien als een knieval voor het grote publiek en een symptoom van de verschraling in de museumwereld. Dat is echter een weinig originele kritiek op wat gezien kan worden als een nieuwe variant op de blockbuster-tentoonstelling. 

Het is geenszins de eerste keer dat een museum of tentoonstelling die zich richt op ‘de massa’ het onderwerp van kritiek is. In de jaren tachtig van de twintigste eeuw maakte het fenomeen van de blockbuster zijn opmars. De ongekende populariteit van tentoonstellingen als La Grande Parade en Monet in Holland in Amsterdam maakten duidelijk dat het publiek wel degelijk met duizenden tegelijk naar het museum wilde komen, als daar maar iets spectaculairs getoond werd. Voor het eerst ging het hierbij niet alleen om het reguliere museumpubliek, maar ook om dagjesmensen en gezinnen, die bereid waren om in lange rijen te staan. De blockbuster hype werd door de kunstwereld met argusogen bekeken. Toen de Rotterdamse Kunsthal – de eerste tentoonstellingshal van Nederland zonder eigen collectie – in 1993 zijn deuren opende, werd het spottend een ’tentoonstellingsfabriek met de allure van een sporthal’ genoemd. Daarnaast waren niet alle musea bijzonder toeschietelijk wanneer het om bruiklenen ging: de Kunsthal had immers geen eigen collectie als ruilmateriaal. De terughoudendheid van de musea kwam niet alleen voort uit vanuit de reputatie van de Kunsthal als commerciële profiteur, maar ook vanuit de angst dat de politiek de Kunsthal als commercieel succesvolle instelling zou gaan gebruiken als maatstaf voor de andere Nederlandse musea. Ook bij het DWDD pop-up museum lijkt zo’n angst een rol te spelen: wat als het pop-up museum méér wordt dan een grappige gimmick? Blijft er dan nog wel ruimte om specialistische, maar minder winstgevende tentoonstellingen te organiseren? Het antwoord kunnen we misschien wederom vinden bij Kunsthal, inmiddels een gevestigde naam in de Nederlandse museumwereld. De blockbuster-tentoonstelling is volledig ingeburgerd, en de opbrengsten stellen de tentoonstellingshal in staat ook kleinere projecten te huisvesten. Misschien stonden de meeste Nederlandse musea mede dáárom wel in de rij om mee te mogen doen aan het pop-up museum.

De financiële steun van het Mondriaan Fonds én het VSB Fonds lijken de vrees voor de verschraling en commercialisering van de museumwereld alleen maar verder te voeden: want waarom krijgt het pop-up museum wél geld, terwijl andere wellicht belangrijkere tentoonstellingen niet gesubsidieerd worden? Het Mondriaan Fonds voelde zich genoodzaakt uit te leggen waarom het project omarmd wordt: ‘Het laat doorgaans niet toegankelijke collectie-onderdelen zien en zet verborgen kunstenaars op een voetstuk. Het bevordert samenwerking tussen musea op een belangrijk terrein als collecties. En door de aandacht die De Wereld Draait Door eraan geeft wordt een groot en deels nieuw publiek aangesproken’, aldus het Fonds op haar website. Ook die motivatie is niks nieuws: in de jaren negentig vormden het Deltaplan voor Cultuurbehoud en de cultuurnota Kiezen voor Kwaliteit de grondslag van de verplichte verzelfstandiging van de Rijksmusea. De overheid wilde haar eigen rol sterk terugdringen en de actieve rol van de musea zelf vergroten. In dezelfde periode ontstond het concept van de ‘Collectie Nederland’. Niet de collecties van afzonderlijke musea, maar het nationale cultuurbezit als geheel werd uitgangspunt voor het museumbeleid. De overheid maakte zich zorgen over de toenemende musealisering van Nederland, en de alsmaar groeiende collecties die hier het gevolg van waren. Om een deel van het probleem op te lossen, drong toenmalig staatssecretaris Rick van der Ploeg aan op het vergroten van het bereik van de Collectie Nederland. De maatregelen die men hiertoe wilde nemen kwamen neer op het tonen van collecties buiten musea, het stimuleren van de ‘virtuele toegang’ tot musea en archieven, vergroting van de mobiliteit van collecties en een intensivering van het bruikleenverkeer. Het DWDD pop-up museum sluit in dat opzicht perfect aan bij een beleidsontwikkeling die al enkele decennia geleden in gang is gezet. De nadruk die in de media gelegd wordt op de verborgen schatten in geheime depots waarvan ‘u en ik niet eens mogen weten waar ze zijn’ wordt door een aantal museumprofessionals echter opgevat als een beschuldiging. Waarom laten musea maar zo weinig te zien van ‘onze’ Collectie Nederland? Waarschijnlijk zegt deze vrees meer over de museumprofessionals zelf dan over het massaal toegestroomde publiek: dat lijkt zich vooralsnog totaal niet bezig te houden met de vaderlandse depot-problematiek. 

Wim Pijbes – naast directeur van het Rijksmuseum niet toevallig ook de oud-directeur van de Kunsthal – stelde ooit in een interview dat het beleid van de Kunsthal niet zozeer gezien moest worden als een knieval, als wel een kniebuiging voor het publiek. Pijbes: “Ons credo is: het publiek heeft altijd gelijk. Dat betekent niet dat we geven waar men om vraagt. We proberen onze ‘producten’ zo aantrekkelijk mogelijk aan te bieden. Als daar minder mensen op af komen dan we hadden verwacht, hebben we iets fout gedaan.” (NRC Handelsblad 2002) Jan-Willem Overdijk, hoofd publiekszaken van het Allard Pierson, reageert dertien jaar later min of meer hetzelfde op de kritiek op het pop-up museum in ‘zijn’ instelling. Tijdens de discussieavond Salon de Museologie vergelijkt hij de expositie met VPRO’s Zomergasten, waarin een bekende gast een programma samenstelt op basis van zijn of haar persoonlijke smaak. ‘Als je er niet van houdt, dan kijk je toch simpelweg niet?’ Naar het pop-up museum kijken de mensen in ieder geval massaal: er kwamen de afgelopen twee weken zo’n 1000 mensen per dag, normaal zijn dat er 300. Ook de buurtbewoners vinden na 30 jaar het Allard Pierson Museum weer, en in de verschillende zalen wordt druk gediscussieerd over de geëxposeerde werken. Overdijk hoorde een bezoeker na afloop zeggen: ‘Ik heb eindelijk gelachen in een tentoonstelling, ik wist niet dat dat mocht’. 
 
In een tijd waarin er in de kranten steeds minder ruimte is voor serieuze kunstbesprekingen kun je je afvragen waarom Nico Dijkshoorn en Joost Zwagerman wél een podium voor hun mening krijgen. Toegegeven, sommige gastconservatoren zijn wel erg prominent aanwezig in het pop-up museum: zo lijkt Jasper Krabbé van de gelegenheid gebruik te maken om voornamelijk zichzelf te fêteren en zijn de pop-up kraampjes met persoonlijke merchandise bij de ingang van het museum wellicht wat teveel van het goede. En nee, het pop-up museum is niet de mooiste of meest memorabele tentoonstelling die u ooit zult zien. Maar toch, de bezoeker komt onderweg enkele verrassingen tegen en krijgt een bijzonder kijkje in de keuken bij de verschillende Nederlandse musea. De zalen van Herman Pleij en Cecile Narinx zijn een plezier voor het oog en Nico Dijkshoorn krijgt de lachers op zijn hand met zijn onbevangen manier van kijken en associëren.

In een tijd waarin van musea verlangd wordt publieksgerichter te denken en werken is het pop-up museum van DWDD een charmant initiatief. Het geeft op een effectieve manier ruchtbaarheid aan kunst en cultuur bij een breed publiek. En laten we eerlijk zijn: die rijen voor het Allard Pierson Museum zijn weer eens wat anders. Tegelijkertijd moeten we de expositie vooral zien voor wat het is: een uiteindelijk toch vrij traditionele variant op de blockbuster-tentoonstelling, die op de lange termijn geen wereldschokkende veranderingen teweeg gaat brengen. Dus: Gaat dat zien! Of niet natuurlijk.. 
 

Historici.nl
Het KNHG is de grootste organisatie van professionele historici in Nederland. Het biedt een platform aan de ruim 1100 leden en aan de historische gemeenschap als geheel. Word lid van het KNHG.
Historici.nl
Terug naar de bron: de geschiedenis ontrafeld met nieuwe technologie. Dat is de missie van het Huygens ING, een onderzoeksinstituut op het gebied van geschiedenis en cultuur.