Historici.nl





#cultuur en kunst
#politiek en bestuur
#maatschappij
#wetenschap en techniek
#oorlog en krijgsmacht
#economie en financiën
#kerk en religie
#overzeese gebieden
#scheepvaart
#onderwijs
#recht
#erfgoed
#kolonialisme
#Tweede Wereldoorlog
#archieven
#slavernij
Door Simone Vermeeren
24-07-2018
Simone Vermeeren

Inzending zomerblog Veel tijd, weinig geld. Jonge freelancers in onderzoeksland

De chauffeur van de kleine streekvervoerbus zette me af in een dorpje aan het einde van de wereld, met een onheilspellende en vooral ook onverstaanbare instructie voor de terugreis: ‘als ge terug goat, moette maar op d’n hoofdstroat goan stoan, dan vinden we auw wel.’ Ik keek op mijn telefoon – geen bereik, geen internet. Ik was nu op mezelf aangewezen. De lokale bewoners besteedden geen aandacht aan me. Vertwijfeld keek ik om me heen, en tot mijn grote opluchting zag ik aan de horizon een klooster liggen. Ik was gered.    

Brabantse missionarissen in de Verenigde Staten

Een paar maanden eerder was ik op missie gestuurd met de woorden ‘er is maar weinig geld beschikbaar voor dit project, je zult er vast veel meer tijd insteken dan er eigenlijk voor staat en je zult heel zelfstandig moeten werken.’ De werkgroep ‘Brabantse missiepioniers in de Verenigde Staten in de lange negentiende eeuw’, een samenwerking tussen Tilburg University, Erfgoed Brabant en Katholiek Documentatiecentrum Nijmegen, zocht een junior onderzoeker. Deze zou in verschillende Nederlandse en Vlaamse archiefinstellingen op zoek gaan naar bruikbaar bronmateriaal over de missionarissen die vanaf 1826 vanuit Noord-Brabant naar de Verenigde Staten vertrokken om daar ‘wilden’ (native Americans) te bekeren, kloosters te stichten en ervoor te zorgen dat de immigranten uit Europa niet wegbleven uit de katholieke kerken of, nog erger, overliepen naar de protestanten.

In de VS is de missie vanuit Europa een belangrijk onderdeel van de eigen ontstaansgeschiedenis; de bronnen zijn daar dan ook goed gearchiveerd. De rol die de Noord-Brabantse missionarissen speelden in een bredere context van de Europese missie naar de VS is echter nog niet in kaart gebracht. Hoewel het project nog in de startblokken staat, heeft het de potentie uit te groeien tot een groot onderzoeksprogramma. De thematiek sluit immers naadloos aan op populaire onderzoeksvelden binnen de geschiedwetenschappen, zoals postkoloniale studies en immigratiegeschiedenis. Toch is het voor mij en mijn collega’s in de werkgroep lastig gebleken om middelen te werven voor onderzoek.

‘De goede zaak’

De Noord-Brabantse afdeling van het Prins Bernard Cultuurfonds stelde genereus een ad lipsum-bedrag beschikbaar voor de archiefinventarisatie, maar van dat bedrag moesten, naast mijn netto uurtarief, ook materiaal- en reiskosten worden betaald. Als ik weer eens met de trein de provincie doorkruiste, op weg naar onontgonnen archieven, kon ik me, alsof er geen anderhalve eeuw tussen ons inzit, goed identificeren met de missionarissen. Net als hen kwam ik weliswaar op nieuwe en interessante plekken, en had de tijd en drive om me volledig aan mijn taak te wijden. Maar bijna net zo vaak had ik persoonlijke geldzorgen en twijfels over de levensvatbaarheid van de hele onderneming.

Het enige wat ik kon blijven doen, net als de missionarissen, was in de kracht van het onderwerp blijven geloven, en me op die manier in te blijven zetten voor ‘de goede zaak’. Onderweg lukte het soms om anderen te bekeren, zeker toen het onderzoek concrete resultaten begon op te leveren. Bij de archiefinstellingen sprak ik met vele geïnteresseerden, en halverwege het project stapte de Amerikaanse ambassade aan boord – waardoor Amerikaanse wetenschappers betrokken konden worden en er een studiedag gefinancierd kon worden over de toekomst van het project.

Dilemma’s

Ik beschrijf hier natuurlijk geen nieuw fenomeen. Onze hele werkveld, van freelancers tot universiteits- of onderzoeksinstellingmedewerkers tot archivarissen, weet uit eigen ervaring wel dat er voor onderzoek niet veel geld beschikbaar is, en nog minder tijd. De freelancende jonge onderzoekers, die van tijdelijke onderzoeksklus naar een junioraanstelling voor drie of vier maanden hoppen, zijn ook een gevolg van het chronische geldgebrek in onze sector, en dat is geen positieve ontwikkeling. Niet alleen moeten nogal wat net afgestudeerde geesteswetenschappers het doen met onzekere werkomstandigheden, ook treedt er in zekere zin een marginalisering van historisch onderzoek op. Volgens mij kunnen er met recht vraagtekens gezet worden bij kortstondige onderzoeksprojecten voor jongeren, en de penibele situatie waarin zij daardoor terechtkomen.

Toch ben ik die vragen nog niet vaak tegengekomen in de discussies die we, in het historische werkveld, met elkaar voeren over de uitholling van de geesteswetenschappen. Een zekere berusting wel, en daar maak ik me zorgen over. Wordt de hele gang van zaken niet in stand gehouden als de tijdelijke klussen en projecten aangeboden en geaccepteerd blijven worden? Er is namelijk altijd wel een docent of senior onderzoeker die een ad hoc-assistent kan gebruiken vanwege de toenemende druk op zijn of haar functieomschrijving en tijd. Er is ook altijd wel een gedreven jongere te vinden, die de klus aanneemt in de hoop dat er weer iets nieuws uit voortkomt, of uit angst zijn of haar toekomstperspectieven tekort te doen met een weigering.

Dat laatste is belangrijk. Naast de financiële onzekerheid en cv-druk ziet de jonge onderzoeker zich ook nog geconfronteerd met een moreel dilemma. Kun je als historicus wel meewerken aan een stelsel dat de waarde van historisch onderzoek ondermijnt, en kun je je een principiële weigering veroorloven?

Plezier

Die vragen zijn lastig te beantwoorden- ze zijn bijna net zo moeilijk als het vinden van sporen van zo’n honderd missiepioniers in een chaotisch bisdomarchief. Gelukkig staat het plezier in onderzoek nog altijd buiten de discussie. Het gemengde gevoel van opluchting en nieuwsgierigheid dat ik voelde toen ik, nadat ik zo’n acht stapels onbruikbare bisschopsaantekeningen had doorgespit, een brief vond van een missionaris uit Detroit, 1854, maakte veel stress en frustratie goed. Ik was toen alleen allang door mijn factureerbare uren heen…

 

Simone Vermeeren
Simone Vermeeren studeerde geschiedenis in Nijmegen en Amsterdam, en volgde een tweede master European studies aan de KU Leuven. Na haar afstuderen werkte ze enige tijd als redacteur bij het Nexus Instituut. Per 1 juli 2018 is ze als promovendus verbonden aan de Radboud Universiteit, waar ze werkt aan een biografie over het werk en leven van Christine Mohrmann (1903-1988). Ze is voorzitter van het dagelijks bestuur van Stichting Jonge Historici.
Alle artikelen van Simone Vermeeren
Historici.nl
Het KNHG is de grootste organisatie van professionele historici in Nederland. Het biedt een platform aan de ruim 1100 leden en aan de historische gemeenschap als geheel. Wordt lid van het KNHG.
Historici.nl
Terug naar de bron: de geschiedenis ontrafeld met nieuwe technologie. Dat is de missie van het Huygens ING, een onderzoeksinstituut op het gebied van geschiedenis en cultuur.