Historici.nl





#opstand
#cultuur en kunst
#politiek en bestuur
#maatschappij
#wetenschap en techniek
#oorlog en krijgsmacht
#economie en financiën
#kerk en religie
#overzeese gebieden
#scheepvaart
#onderwijs
#erfgoed
#archieven
#kolonialisme
#recht
#Tweede Wereldoorlog
#gender
#inclusiviteit
#slavernij
Gepubliceerd op 12-01-2015
Door Anne-Marie Mreijen
Anne-Marie Mreijen

Open Access in de geesteswetenschappen

In november 2013 maakte staatssecretaris Dekker (OCW) zijn beleid voor het publiceren in Open Access bekend in een brief aan de Tweede Kamer. Onderzoek dat met publiek geld gefinancierd is moet voor iedereen toegankelijk worden. De Europese Commissie en de European Research Council stellen publicaties in Open Access verplicht bij onderzoek binnen het programma Horizon 2020. Inmiddels heeft ook NWO bekend gemaakt dat vanaf 2015 alle door NWO gefinancierde publicaties Open Access beschikbaar zullen worden.

Nu de Open Access beweging ook politieke steun krijgt en er zelfs gesproken wordt over een revolutie, is de discussie erover uiterst actueel geworden, eens te meer als deze geplaatst wordt in het kader van de bredere discussie over het belang van valorisatie, transparantie en integriteit in de wetenschap en de sharing economy. Enigszins verbazingwekkend dus dat bij de twee debatten over Open Access die de Universiteit Utrecht afgelopen weken organiseerde (‘Open Access. Een debat in de faculteit’ op 17 september en ‘Rushing to Revolution’ op 17 oktober 2014), buiten de sprekers en bibliothecarissen betrekkelijk weinig onderzoekers aanwezig waren.  

Een van de verklaringen daarvoor kwam op beide bijeenkomsten naar voren: het is met toenemende onderwijsdruk voor veel onderzoekers in eerste instantie al lastig om tijd voor onderzoek vrij te maken, laat staan dat er tijd over blijft om intensief bezig te zijn met het  Open Access debat. Er is dan ook nog relatief weinig bekendheid met de verschillende aspecten die met deze ontwikkeling samenhangen. De indruk leek hier en daar ook te bestaan dat publiceren in Open Access een van bovenaf opgelegde maatregel is: een zaak van beleidsmakers en bestuurders met als gevolg dat onderzoekers die al onder hoge tijdsdruk werken met nog meer bureaucratie opgezadeld zullen worden.

Dat de huidige modellen voor Open Access vooral op de bètawetenschappen gebaseerd zijn, maakt het debat nog een stuk ingewikkelder. Terwijl het evident nuttig is dat kennis uit de bètawetenschappen snel verspreid wordt en beter toegankelijk is (bijvoorbeeld medische informatie), worden in de humaniora andere doelen gesteld. Het kan soms jaren duren voordat een geesteswetenschapper een argument heeft ontwikkeld, dat dan vervolgens ook vaker in een monografie wordt gepubliceerd dan in een artikel. Als het groeiende belang van valorisatie en de ontwikkeling naar een toekomst van Open Access echter inderdaad zo onomkeerbaar zijn als veelal wordt betoogd, is de discussie over de manier waarop Open Access publiceren gerealiseerd moet worden en de gevolgen die dat heeft juist ook voor de geesteswetenschappen van groot belang.

Hoewel de deelnemers aan beide bijeenkomsten het belang van gratis beschikbaar stellen en beter toegankelijk maken van wetenschappelijke kennis onderschreven, was er ook veel aandacht voor de problemen in de overgang naar Open Access. Bij de bijeenkomst op 17 september ging het daarbij vooral om het perspectief van de onderzoeker, terwijl tijdens de bijeenkomst op 17 oktober de kant van uitgevers, bibliotheken en redacties van Open Access tijdschriften werd belicht.

Zo komt op dit moment bijvoorbeeld slechts 16% van alles wat er door UU-onderzoekers gepubliceerd wordt in de OA-repository van de Universiteitsbibliotheek terecht. Hier ligt voor onderzoekers mogelijk zelf een taak. Probleem daarbij is dat veel onderzoekers aarzelend zijn om een nog niet finaal paper op te nemen in een repository, in afwachting van het aflopen van een door een uitgeverij opgelegd embargo. Bovendien worden in de humaniora niet alleen meer boeken gepubliceerd (waarvan uitgevers minder geneigd zijn die in Open Access beschikbaar te maken), maar is er binnen de geesteswetenschappen eveneens een groot aantal kleine gespecialiseerde tijdschriften, vaak door een persoon draaiende gehouden, met een relatief lage of geen impactfactor. Deze tijdschriften dreigen ten onder te gaan door de financiële gevolgen van publiceren in Open Access.

‘Gold’ en ‘Green’

Op beide bijeenkomsten werden de zogenoemde ‘golden’ en ‘green’ varianten in het online toegankelijk maken van wetenschappelijke informatie bediscussieerd (zie ook het position paper dat door UU-bibliothecaris Anja Smit op 17 september werd toegelicht). Bij de ‘golden’ variant maakt de uitgever de publicatie meteen online toegankelijk terwijl een artikel in de ‘green’ variant via een traditioneel tijdschriftabonnement verschijnt en de gepubliceerde versie na een embargoperiode beschikbaar wordt gemaakt in een repository (vrij toegankelijk digitaal archief). Als alternatief bieden veel uitgevers onderzoekers de mogelijkheid een geaccepteerde, maar nog niet door de uitgever geredigeerde versie van een artikel in de repository op te nemen.  

Een van de sprekers op 17 september, Lucky Belder (Centrum voor Intellectueel Eigendomsrecht, Molengraaff Instituut voor burgerlijk recht, UU) wees er echter op dat het in de discussie steeds wordt voorgesteld dat er slechts deze twee varianten zijn terwijl de oplossing nog niet vaststaat. Volgens de juriste zijn er namelijk ook nog andere mogelijkheden te bedenken en juist nu uitgevers met beleidsmakers aan de onderhandeltafel zitten is het van belang goed daarover na te denken. Dit geldt bijvoorbeeld op het gebied van auteursrechten: in veel arbeidscontracten ligt het auteursrecht bij de werkgever (in dit geval dus vaak de universiteit). Bij een contract met een uitgever kan dat juridisch gecompliceerd zijn. Belder stelde de indruk te hebben dat werknemers zich hier vaak niet mee bezighouden. Ze lichtte toe dat het bij de juridische faculteiten de gewoonte is dat auteurs zelf het auteursrecht behouden. Dit stelt auteurs in staat direct met uitgevers te onderhandelen over de voorwaarden, bijvoorbeeld ten aanzien van opname in een repository.

Onneembare vestingen?

Het vrij beschikbaar stellen en toegankelijk maken van wetenschappelijke informatie staat vaak haaks op de beperkingen die uitgevers aan auteurs opleggen. Door Open Access worden de kosten van publicaties niet langer betaald door de gebruikers (bibliotheken of particuliere abonnees en lezers), maar in veel gevallen door de auteur in de vorm van APC’s (Article Procession Charge: publicatiekosten). En hier wringt de schoen. De grotere uitgeverijen maken hier soms tot 30% winst op, en APC’s van € 1.500 tot wel € 3.000 zijn gebruikelijk. Bovendien hebben universiteiten zeker in tijden van bezuinigingen te weinig budget om artikelen, maar met name de boeken die door geesteswetenschappers op grotere schaal gepubliceerd worden, vrij te kopen. Dat commerciële partijen winst maken op wat gezien wordt als maatschappelijke dienstverlening (de resultaten van wetenschappelijke kennis voor iedereen beschikbaar maken) is een belangrijk punt van discussie.

Hoe kunnen universiteiten zelf sterker de belangen van hun eigen output behartigen zodat kennis inderdaad ten goede komt aan de maatschappij? Benadrukt werd echter ook dat uitgeverijen steeds meer gewezen worden op hun corporate responsibility en daarom geen onneembare vestingen zijn. Uitgeverijen hebben bovendien een grote technologische kennis en dragen zorg voor het verkrijgen en in stand houden van een impactfactor. Dit zou een waarborg voor kwaliteit moeten zijn (hoewel ook op dit punt veel discussie bestaat). Om het voortbestaan van kleinere tijdschriften in de humaniora te garanderen, werd met name tijdens de bijeenkomst van 17 oktober gepleit voor het samengaan van kleinere tijdschriften in grotere verbanden (de zogenoemde ‘mega journals’). Het voorbeeld dat daarbij vaak genoemd wordt is het tijdschriften platform PLOS-ONE, dat vooral in de bèta wetenschappen actief is.

Open Access en carrièreperspectieven

Een belangrijk punt van zorg, dat met name tijdens het eerste debat op 17 september naar voren kwam, was wat de Open Access ontwikkeling voor de carrière en beoordeling van onderzoekers betekent. Opgemerkt werd dat bevorderingen, sollicitaties en visitaties van publicaties afhangen. Onderzoekers worden geacht steeds meer in toptijdschriften te publiceren. Dit is vaak een lange procedure maar a-tijdschriften worden gezien als een soort keurmerk en waarborg van kwaliteit. Als toptijdschriften tegelijkertijd hoge APC’s voor auteurs rekenen, kan dat met name voor ‘early stage’ wetenschappers problematisch zijn, omdat die minder mogelijkheden hebben financiering hiervoor te krijgen. Dat geldt ook voor onderzoekers die buiten de traditionele universiteiten en onderzoeksinstellingen werken, en geldt bovendien in sterkere mate voor het publiceren van boeken in Open Access.

In beide bijeenkomsten kwam de veelomvattendheid en de complexiteit van het Open Access debat naar voren, dat niet alleen raakt aan de manier waarop wetenschappers hun resultaten publiceren, maar ook onderdeel is van een bredere discussie over hoe ook de wetenschap zich aan een veranderende samenleving moet aanpassen.

Anne-Marie Mreijen (Universiteit Utrecht, BMGN-LCHR)

Voor meer informatie over Open Access en Open Access beleid zie onder andere:

http://www.openaccess.nl/
http://www.knaw.nl/nl/thematisch/open-access-en-digitale-duurzaamheid/open-access
http://www.nwo.nl/actueel/nieuws/2014/nwo-zet-volgende-stap-in-open-accessbeleid.html
http://erc.europa.eu/wp-content/legacy/document/file/erc_scc_guidelines_open_access.pdf
Peter Suber, Open Access http://bit.ly/oa-book
Nigel Vincent en Chris Wickham (eds.), Debating Open Access (The British Academy, 2013): http://issuu.com/thebritishacademy/docs/debating_open_access-ed_vincent_and
Rebecca Kennison and Lisa Norberg, A Scalable and Sustainable Approach to Open Access Publishing and Archiving for Humanities and Social Sciences. A White Paper. http://knconsultants.org/toward-a-sustainable-approach-to-open-access-publishing-and-archiving/

Geschiedenis schrijven! Maar niet in Open Access?
Door Leonie de Goei
Hulde aan de buitenpromovendus!
Door Nienke Altena
Boos op de geschiedenisdocent
Door Renee ten Cate
Anne-Marie Mreijen
Anne-Marie Mreijen is politiek historicus. Zij specialiseert zich in twintigste eeuwse politieke geschiedenis en life writing. In februari 2018 verschijnt haar proefschrift De rode jonker. De eeuw van Marinus van der Goes van Naters (1900-2005) bij uitgeverij Boom. Vanuit haar functie als managing editor van BMGN – Low Countries Historical Review houdt zij zich niet alleen bezig met de dagelijkse gang van zaken op het redactiebureau, maar ook met de ontwikkelingen en veranderingen in wetenschappelijk publiceren en wetenschapscommunicatie zoals open access/open science.
Alle artikelen van Anne-Marie Mreijen
Historici.nl
Het KNHG is de grootste organisatie van professionele historici in Nederland. Het biedt een platform aan de ruim 1100 leden en aan de historische gemeenschap als geheel. Word lid van het KNHG.
Historici.nl
Terug naar de bron: de geschiedenis ontrafeld met nieuwe technologie. Dat is de missie van het Huygens ING, een onderzoeksinstituut op het gebied van geschiedenis en cultuur.