Historici.nl





#opstand
#cultuur en kunst
#politiek en bestuur
#maatschappij
#wetenschap en techniek
#oorlog en krijgsmacht
#economie en financiën
#kerk en religie
#overzeese gebieden
#erfgoed
#scheepvaart
#onderwijs
#archieven
#kolonialisme
#Tweede Wereldoorlog
#recht
#gender
#inclusiviteit
#slavernij
#natuur en milieu
Gepubliceerd op 05-11-2015

Pleidooi voor het rurale tijdvak

In 2011 schreven  de Utrechtse historici Paul Brusse en Wijnand Mijnhardt als afsluiting van een door hen geleid onderzoeksproject naar de economische, politieke en culturele geschiedenis van Zeeland in de achttiende en negentiende eeuw het gedurfde Towards a new template for Dutch history. Op basis van hun Zeeuwse bevindingen stelden zij in dit lange essay een nieuwe periodisering van de Nederlandse geschiedenis voor, waarin niet politieke cesuren maar urbanisatie en de balans tussen stad en platteland de uitgangspunten voor de indeling in tijdsvakken vormen. De periode 1700-1880 typeerden zij als een ‘ruraal tijdvak’, waarin de machtsverhoudingen in Nederland verschoven van stad naar platteland en van west naar oost.

Hun paradigmavoorstel leidde tot enige discussie (zie BMGN-LCHR 127-3 (2012) 29-49 en Virtus. Jaarboek voor adelsgeschiedenis 19 (2012) 147-180) en tot een grote onderzoeksaanvraag bij NWO, die ondanks een positieve beoordeling vooralsnog niet is gehonoreerd. De aanvragers blijven echter hoopvol dat het project, wellicht met andere middelen, toch uitgevoerd kan worden.

In het nieuw voorgestelde paradigma is veel aandacht weggelegd voor de macht van oude elites, voor notabelencultuur, landleven en landgoederen(beheer). Brusse en Mijnhardt stellen dat in de tweede helft van de achttiende eeuw riddermatige geslachten en regentenfamilies uit oost en west (en noord) zich ontwikkelden tot een nationale elite, die haar politieke hegemonie tot in de tweede helft van de negentiende eeuw wist vast te houden. Het publiekssymposium ‘Van West naar Oost, van stad naar platteland. Elite en adel in Nederland na 1700’, dat op 29 oktober j.l. in het Historisch Centrum Overijssel te Zwolle werd gehouden, richtte zich op deze thema’s.

Wijnand Mijnhardt vatte de kernpunten van zijn these nog eens samen in een enthousiasmerende openingslezing waarin het achttiende-eeuwse satirische Het toekomend jaar 3000 van Arend Fokke Simonsz een aantrekkelijk vertrekpunt vormde: in de verre toekomst zou de Republiek volgens Fokke een agrarische samenleving zijn waarin geen spoor meer te vinden was van Amsterdam – en waarin slavernij en het eten van vlees waren afgeschaft. In een met lichte sneren (tegen hollandocentrisme, finalisme, disciplinaire fragmentatie en Huizinga’s beeld van Nederland als burgerlijke natie) doorspekt betoog schetste Mijnhardt vervolgens de contouren van het ontstaan van een nationale notabelencultuur, waarbij gegoedheid de grondslag vormde voor actief burgerschap en de toegang tot belangrijke politieke ambten en functies. Deze notabele elite vestigde zich bij voorkeur op het platteland en legde veel belangstelling aan de dag voor grondbezit.

De lezingen van Ileen Montijn, Yme Kuiper, Jos Mooijweer en Piet van Cruijningen boden interessante uitbreidingen, aanvullingen en vergelijkingen – en ook wel kritiek, zonder echter de fundamenten van het nieuwe paradigmavoorstel aan te tasten. Mooijweer concludeerde dat aan het einde van de achttiende eeuw de havezaten van veel in de Overijsselse ridderschap verschreven edelen ondanks stijgende grondprijzen onder de gegoedheidseisen (voor toelating tot het ridderschapscollege) dreigden te zakken. Niet agrarische conjunctuur maar verwerving van een van de drostambten en het sluiten van een huwelijk met een erfdochter vormden een sleutel tot succes van (sommige) edelen.

Van Cruijningen beklemtoonde de geringe betekenis van grootgrondbezit in Nederland. Hoewel sommige adellijke landgoedbezitters wel degelijk tot de agrarische vernieuwers behoorden, leverden zelfs uitzonderlijk grote landgoederen als Twickel en Ruurlo in de negentiende eeuw, ondanks de grootschalige aankoop van boerderijen en grond en andere investeringen (met name opbrengsten uit aandelen en obligaties) slechts een bescheiden rendement op. Eigenaren van kleinere landgoederen kwamen in de jaren 1890 door de agrarische crisis in de problemen. Grootgrondbezit bood dus weliswaar status en soms ook politieke macht, maar altijd tegen een hoge prijs.

In 1982 durfde Kitty Verrips-Roukens het nog niet aan om in haar (door Yme Kuiper terecht naar voren gebrachte) pioniersstudie Over heren en boeren het door haar onderzochte landgoed Vilsteren in Salland bij naam te noemen en meende zij ook ten aanzien van zijn eigenaren voor pseudoniemen te moeten kiezen. In de laatste decennia heeft zich in Nederland een bescheiden, maar serieuze traditie van adels- en patriciaatsonderzoek ontwikkeld. Die kleine traditie heeft nu ook een bijdrage geleverd aan een inspirerende, veel verder reikende these.

De weg naar verwerving van middelen om deze these te onderzoeken, blijkt echter lang te zijn. Het idee van Nederland als een burgerlijke samenleving is niet alleen een historische constructie, aldus Wijnand Mijnhardt, maar voor velen van ons een dierbare notie, verbonden met onze identiteit en veronderstelde missie in de wereld. En dierbare noties houden we misschien liever niet kritisch tegen het licht.

Conrad Gietman
Hoge Raad van Adel, Den Haag

Historici.nl
Het KNHG is de grootste organisatie van professionele historici in Nederland. Het biedt een platform aan de ruim 1100 leden en aan de historische gemeenschap als geheel. Word lid van het KNHG.
Historici.nl
Terug naar de bron: de geschiedenis ontrafeld met nieuwe technologie. Dat is de missie van het Huygens ING, een onderzoeksinstituut op het gebied van geschiedenis en cultuur.