Historici.nl





#opstand
#cultuur en kunst
#politiek en bestuur
#maatschappij
#wetenschap en techniek
#oorlog en krijgsmacht
#economie en financiën
#kerk en religie
#overzeese gebieden
#erfgoed
#scheepvaart
#onderwijs
#archieven
#kolonialisme
#Tweede Wereldoorlog
#recht
#gender
#inclusiviteit
#slavernij
#natuur en milieu
Gepubliceerd op 16-07-2015

Recensie: Nieuwe uitgave van Hugo de Groot over de Opstand

Hugo de Groot. Kroniek van de Nederlandse Oorlog. De Opstand 1559-1588. Vertaling en nawoord Jan Waszink.

Tot aan het moment van zijn arrestatie, op 29 augustus 1618, richtte de staatsman-geleerde Hugo de Groot zich volledig op de belangen van Holland, het soevereine gewest dat aan de Nederlandse Republiek leiding gaf in de Opstand tegen Spanje. Steeds meer werd hij in beslag genomen door zorgen over de interne verscheurdheid waarmee de Republiek in die jaren te kampen had: theologische twisten tussen twee richtingen binnen de Gereformeerde Kerk infecteerden de politiek en maakten het bestuurders zoals De Groot vrijwel onmogelijk zich afzijdig te houden. De controverse tussen rekkelijken en preciezen op godsdienstig gebied vond een parallel in de politieke strijd tussen staats- en prinsgezinden. De Groot presenteerde zich als een man van het midden, want hij besefte dat eendrachtigheid geboden was, zeker als straks de oorlog weer in alle heftigheid zou losbarsten. In 1609 was er een Bestand met de vijand gesloten, maar dat zou in 1621 aflopen.

De Groots engagement vertoonde veel facetten. Hij schreef Neo-Latijnse poëzie waarin hij de Republiek en haar leiders, in het bijzonder legeraanvoerder Maurits, lof toezong. Hij pleitte voor kerkelijke eenheid, verdedigde de gewestelijke soevereiniteit als het resultaat van een historisch gegroeide situatie en rechtvaardigde de verovering van onder Spaanse vlag varende schepen in De iure praedae (Over het recht op buit), een omvangrijk juridisch traktaat, dat evenwel in vergetelheid raakte en pas in de negentiende eeuw werd uitgegeven.

Eenzelfde lot leek een andere studie beschoren, een geschiedenis van de Opstand, waarmee hij in 1601 begon. Vanaf 1604 werkte hij eraan als de officieel aangestelde geschiedschrijver van de Hollandse Staten. De titel, Annales et Historiae, was ontleend aan twee werken van Tacitus en maakt meteen al duidelijk dat De Groot, of Grotius voor zijn geleerde vrienden, de befaamde Romeinse geschiedschrijver wilde navolgen. Deze opzet kenmerkt hem als een humanist, want imitatio, navolging van een beroemde klassieke tekst, met de bedoeling door inventieve stofvinding, opbouw en stilering het voorbeeld te evenaren en zelfs te overtreffen, was in die tijd een onder humanisten algemeen voorkomend literair streven.

In oktober 1612 waren de Annales et Historiae gereed. De Hollandse Staten stelden een commissie aan die zich over het resultaat moest buigen. Van verloop en uitkomst der beraadslagingen is niets bekend. Zeker is alleen dat het op dat moment niet tot publicatie kwam. Om grotendeels onnaspeurbare redenen bleef dat aanvankelijk ook zo. Eerst in 1657, twaalf jaar na Grotius’ dood, publiceerde de beroemde Amsterdamse uitgever Johan Blaeu het boek. De kloeke foliant was voorzien van drukkersprivileges die waren uitgereikt door de Staten van Holland en de Staten-Generaal. Enigszins verlaat maakten beide instanties op deze formele manier hun waardering voor de vroeger zo hevig verfoeide geleerde kenbaar.

Natuurlijk beperkt getrouwe navolging de historicus in zijn werkwijze, maar het wordt uit Grotius’ geschiedverhaal duidelijk dat deze literaire doelstelling de auteur ook kans gaf een geheel eigen visie op de Opstand uit te dragen. De keuze voor Tacitus als voorbeeld bepaalde in belangrijke mate stijl, opbouw, teneur en psychologische karaktertekening van het boek. Desondanks blijft er over de motieven, ontstaansgeschiedenis en directe receptie veel onduidelijk. Nergens heeft Grotius toegelicht hoe hij te werk was gegaan. Hij liet het aan de lezer over zijn bedoelingen uit het (moeilijk leesbare) Latijn te destilleren. De uitvoerige correspondentie van de geleerde en andere bronnen staan op veel punten niet meer dan voorzichtige speculaties toe.

Voor het bijzondere karakter van Grotius’ aanpak was er tot nu toe in de historiografie weinig aandacht en werd de Taciteïsche invalshoek eerder als een kunstmatige belemmering voor een diepgravende en concrete beschrijving van de oorlog gezien. Voor een juiste waardering van Grotius’ onderneming moeten inhoud, stijl en tendenties van de Annales et Historiae worden geplaatst in het wijde raam van de geschiedenis van Tacitus’ invloed in de vroegmoderne tijd. Dat is wat de vertaler, Jan Waszink, op prijzenswaardige manier heeft gedaan. Hij vertaalde overigens niet het volledige werk, maar beperkte zich tot het eerste deel, de Annales, die vijf boeken omvatten. Dit geschiedverhaal gaat in op de strijd tot 1588, en omvat roemruchte episodes als de val van Antwerpen en het bewind van de Engelse gouverneur-generaal Leicester.

Waszink legt in zijn Nawoord uit dat De Groot Tacitus’ gedrongen, springerige stijl overnam, met vaak archaïsch of aan de poëzie ontleend woordgebruik en een voorliefde voor beschouwingen die uitmondden in aforismen. Dergelijke ‘tegelwijsheden’ kon de lezer in een notitieboekje onder steekwoorden rubriceren en zo gemakkelijk van buiten leren. Maar belangrijker is dat Grotius ook beïnvloed lijkt door het negatieve mensbeeld dat Tacitus in zijn geschiedschrijving exploiteerde om de dramatische overgang van de burgerschapsdeugden in de Romeinse Republiek naar de maatschappelijke verwording onder de keizers van het Juliaans-Claudische huis te schilderen. Tacitus liet merken dat in de politiek morele overwegingen vaak moesten wijken voor het belang van de machthebbers.

Geïnspireerd door het realisme van zijn bewonderde voorbeeld ontmythologiseerde Grotius de Opstand. Verhalen vol patriottistische heroïek wilde hij vermijden. Hij plaatste de oorlog in een geopolitieke context en degradeerde de rebelse verzameling staatjes aan de noordelijke rivierendelta tot een speelbal van internationale belangen en binnenlandse controverses. Zelfs Willem van Oranje zou in zijn beleid eigenbelang hebben laten meespelen en de godsdienst als voorwendsel voor de verwezenlijking van politieke doeleinden hebben gebruikt. Zo schetste Grotius een complex samenspel van economische belangen, godsdienstige hypocrisie, prestigedrang, interne rivaliteit en moeizame allianties met machtige buitenlandse vorsten die zich allereerst lieten leiden door ‘raison d’état-denken, de op Niccolò Machiavelli teruggaande leer dat in noodgevallen de christelijke moraal ondergeschikt moest zijn aan het staatsbelang.

In zijn geschiedverhaal minimaliseerde de auteur het belang van de godsdienst als drijvende kracht achter de Opstand. Niet een verdediging van de protestantse godsdienst, een opstand dus omwille van de ware religie (‘haec religionis ergo’), maar eigenbelang, particularisme en politiek realisme gaven de doorslag onder de eufemistische noemer: dit alles omwille van de vrijheid (‘haec libertatis ergo’). Volgens Waszink moet in Grotius’ realistische benadrukking van het politieke machtsspel dat tot de vorming van de Nederlandse staat leidde, de belangrijkste reden voor niet-publicatie gezocht worden.

Die veronderstelling lijkt me heel aannemelijk. Als de door de Staten ingestelde commissie het boek niet afgewezen heeft, dan ligt het voor de hand dat Grotius zelf in de almaar oplopende Bestandtwisten besloten heeft het manuscript in portefeuille te houden, omdat hij een negatieve ontvangst steeds meer ging vrezen. Door de verdediging van de ware godsdienst als motief te veronachtzamen leek het erop dat hij voor de rekkelijke regenten koos en de prinsgezinden een lesje wilde leren, een teneur die in een ander geruchtmakend boek van die tijd, Grotius’ Ordinum pietas (1613), de grootste beroering had verwekt. In de steeds feller wordende Bestandsstrijd met zijn godsdienstige controverse tussen rekkelijken en preciezen, en parallel daaraan, de politieke strijd tussen staats- en prinsgezinden, kon zijn geschiedenis moeilijk anders worden opgevat dan als een verdediging van de rekkelijke staatsgezinde factie.

Waszink geeft in het Nawoord een gedegen, goed gedocumenteerde en fraai verwoorde beschrijving van de ontstaansgeschiedenis, inrichting en receptie van het boek. Hij leverde bovendien een goede vertaling af. Ik wil zeker niet suggereren dat die leest als een spannende roman. Dat was ook niet de opzet van de vertaler: hij wilde ‘gewoon proza’ vermijden (p. 264) en allereerst recht doen aan de Taciteïsche stijl, die per definitie niet gemakkelijk leest.

Deze uitgave ontleent dan ook zijn grote waarde aan het Nawoord in combinatie met de tekst, die eigenlijk naast de oorspronkelijk Latijnse zou moeten worden gelegd om te zien hoe de vertaler te werk is gegaan. Dat heb ik zelf gedaan voor het vijfde hoofdstuk. Ik stuitte niet op storende, evidente fouten, al moet ik erbij zeggen dat ik op enkele plaatsen frasen anders had vertaald dan Waszink. Zie bijvoorbeeld op p. 190: ‘contra supplicii metum’, vertaald als: ‘door angst voor de doodstraf’ is misschien beter weergegeven met: ‘in weerwil van angst voor de doodstraf’. Op p. 200 vinden we de frase: ‘Haec in sequentem annum exeuntia, quia cohaerent, annexui’, vertaald als: ‘Dat relaas heb ik echter aan de gebeurtenissen in het volgende jaar vastgeknoopt omdat het daarmee samenhangt’. Maar ik vraag me af of wellicht juister is: ‘Deze gebeurtenissen, die in het volgende jaar doorlopen, heb ik hier [aan mijn relaas] vastgeknoopt omdat zij ermee samenhangen’.

Hoe Grotius dergelijke passages bedoeld heeft valt vaak niet met zekerheid uit te maken. De originele Latijnse tekst heeft geen literatuurverwijzingen en is, overeenkomstig het voorbeeld van Tacitus zelf, gedrongen, duister en dus dikwijls voor meer dan één uitleg vatbaar. De lezer moet dan de precieze context en de door Grotius gebruikte bronnen kennen om uit te maken wat hij bedoelde.

Aan het einde van het vijfde boek van de Annales schreef Grotius: ‘Utrisque in partibus annonae caritatem, et caeterorum, quibus vita indiget, intenta magnis oneribus pretia agrorum fructus parum commode, negotiatio, et operarum pariter adauctae mercedes facilius sustinebant’. De vertaler maakte er het volgende van: ‘In zowel Noord als Zuid was voedsel duur, waren de prijzen van de overige levensbehoeften door de belastingen sterk gestegen en was de oogst arbeidsintensief; maar de handel en de met gelijke tred gestegen arbeidslonen maakten het makkelijker dit alles te dragen’ (p. 210). Maar als aan de opbouw van de zin recht wordt gedaan, in het bijzonder de parallellie van de karige ‘opbrengst der akkers’ (‘agrorum fructus’) en de toegenomen handel in combinatie met de overeenkomstig gestegen arbeidslonen (die het hoge prijspeil enerzijds nijpender maakten en anderzijds compenseerden), dan kom je wellicht tot een andere vertaling.

Even verder staat in een fraaie passage te lezen dat een oorlog als de Opstand goede dingen had gebracht, maar dat dit niet betekende dat het kwaad was afgestorven: ‘Per bellum interea pacis ut bona manebant, ita mala non emoriebantur’. Dit is een van die krachtige Taciteïsche aforismen of ‘sententiae’ waarmee Grotius zijn tekst kruidde. Alsof hij een oprechte calvinist was, besprak hij vervolgens de zedelijke verwording die optrad doordat de rijke bovenlaag van de jonge Republiek frivole inwijkelingen uit de zuidelijke Nederlanden in hun weeldezucht ging navolgen. Maar als ik het goed zie, stelde Grotius dat die rijken deze gewoonten weliswaar van de op luxe gestelde ballingen overnamen, maar dat zij die vervolgens doorgaven aan andere, minder bedeelde vaderlandse bevolkingsklassen. Daar functioneerde angst voor armoede als een drijfveer om een luxe levenswandel te omarmen en de ‘dappere eenvoud’ en ‘kuise elegantie’ van de voorvaderen los te laten.

Misschien zoek ik spijkers op laag water. In ieder geval laten deze voorbeelden zien dat de vertaling van Grotius’ humanistisch Latijn een heksentoer was. Om het verloop van de oorlogshandelingen toegankelijker te maken heeft Waszink noten aan de vertaalde tekst toegevoegd. Vooral uit de zeventiende-eeuwse Nederlandse vertaling door Joan Goris (Amsterdam 1681) werd een groot aantal afbeeldingen overgenomen die de tekst prachtig illustreren. Naast het al eerder vermelde Nawoord completeren een verantwoording, samenvatting van de vijf hoofdstukken in korte steekwoorden, bibliografie en index deze heel verdienstelijke uitgave.

Henk Nellen (Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis)

Historici.nl
Het KNHG is de grootste organisatie van professionele historici in Nederland. Het biedt een platform aan de ruim 1100 leden en aan de historische gemeenschap als geheel. Word lid van het KNHG.
Historici.nl
Terug naar de bron: de geschiedenis ontrafeld met nieuwe technologie. Dat is de missie van het Huygens ING, een onderzoeksinstituut op het gebied van geschiedenis en cultuur.