Historici.nl





#opstand
#cultuur en kunst
#politiek en bestuur
#maatschappij
#wetenschap en techniek
#oorlog en krijgsmacht
#economie en financiën
#kerk en religie
#overzeese gebieden
#scheepvaart
#onderwijs
#erfgoed
#recht
#archieven
#kolonialisme
#Tweede Wereldoorlog
#inclusiviteit
#gender
#slavernij
Gepubliceerd op 18-07-2014

Verslag: Honderd jaar NEHA

Het is altijd leuk een jubeljaar te vieren op een symbolisch toepasselijke plaats. Het honderdjarige Nederlandsch Economisch-Historisch Archief (NEHA) deed dat op vrijdag 27 juni, zelfs driedubbel toepasselijk, in de Tinbergenzaal, genoemd naar de beroemdste Nederlandse econoom, in de moderne uitbouw van het Trippenhuis, symbool van de zo succesvolle Nederlandse kapitalistische economie van de Gouden Eeuw, en tegenwoordig de zetel van de Koninklijke Nederlandsche Academie van Wetenschappen (KNAW), waarbij het NEHA vijfentwintig jaar geleden als instituut werd aangesloten.

Nederland is al eeuwen vrijwel onafgebroken één van de rijkste landen ter wereld, en heeft een glansrijk verleden als economische grootmacht, waarvan de sporen, zoals het Trippenhuis, nog altijd rijkelijk aanwezig zijn, dus het zal niet verbazen dat er al in 1914 een levendige belangstelling was voor de toen zeer jonge economische geschiedschrijving. In dat jaar richtten vertegenwoordigers van het bedrijfsleven, de wetenschap en het archiefwezen het NEHA op, om archieven en boeken met betrekking tot de economische geschiedschrijving te verzamelen. De grote man achter dit initiatief was prof. dr. N.W. Posthumus, de eerste hoogleraar economische geschiedenis in Nederland. Met het NEHA had Nederland een primeur – geen andere organisatie in het veld van de economische geschiedschrijving is zo oud. De gestaag groeiende collectie werd al voor de Tweede Wereldoorlog ondergebracht in de in Den Haag gehuisveste Economisch-Historische Bibliotheek. Het mocht zich in een grote belangstelling van het bedrijfsleven verheugen, en speelde generaties lang een zeer belangrijke rol in het bewaren van economisch-historisch erfgoed. Toen ook andere erfgoedinstellingen daarvan het belang gingen inzien, verplaatste de missie van het NEHA zich naar het bevorderen van de economische geschiedschrijving. Nog altijd bouwt het echter voort aan de economisch-historische collectie, die tot de belangrijkste ter wereld behoort (naast de Kress Library in Boston en de Goldsmith collectie in Londen). Het NEHA is daarnaast medeverantwoordelijk voor het Tijdschrift voor Sociale en Economische Geschiedenis (TSEG).

De economische geschiedschrijving bloeit in Nederland en het wetenschappelijk belang ervan overstijgt de landsgrenzen, en dat was duidelijk te merken op het feestje van het NEHA. De voorzitter is de nestor van de huidige Nederlandse economisch-historici, Jan Luiten van Zanden, die twee economisch-historici van wereldkaliber had uitgenodigd om hun licht te doen schijnen over verleden, heden en toekomst van de economische geschiedschrijving: Jan de Vries, Amerikaan met – hoe kan het ook anders met zo’n naam – Nederlandse wortels, en Joel Mokyr, Israeliër met Nederlandse wortels. Dat bevestigde nog eens het grapje van Van Zanden dat er niet voor niets wordt gesproken over ‘the Dutch Maffia’ in het wereldje van de economisch-historici. Wie ooit eens een World Economic History Congress heeft meegemaakt (de volgende is in 2015 in Kyoto, http://www.wehc2015.org/) kan de relatieve Nederlandse oververtegenwoordiging niet ontgaan.

Zoals dat gaat met honderdjarige jubilarissen waren er de nodige toespraken die de jarige in het zonnetje zetten, niet van burgemeesters in dit geval, maar van socioloog Paul Schnabel, die reflecteerde op het belang van economische geschiedschrijving voor een beter begrip van financieel-economische processen, en Agnes Jongerius, zelf opgeleid als sociaal-economisch historicus in Utrecht voordat ze begon aan haar carrière als voorzitter van de FNV en nu lid van het Europese parlement. Jongerius sprak de hoop uit dat de resultaten van het wetenschappelijk hoogstaande economisch-historisch onderzoek ook breder verspreid zullen worden in de samenleving, zoals dat vroeger het geval was. Joost Jonker, bijzonder hoogleraar in de bedrijfsgeschiedenis namens het NEHA, toonde een aantal hoogtepunten uit de rijke NEHA-collectie zoals oud papiergeld, journaals van kooplieden, prijsgegevens, vroege statistische overzichten en gedenkboeken.

De grote attracties van de middag waren de feestredes van De Vries en Mokyr, die beiden stilstonden bij de ontwikkeling van de economische geschiedschrijving in Nederland. De Vries herinnerde aan de pioniersrol van Bernard Slicher van Bath (1910-2004) en de Wageningse school, die van groot belang waren voor zijn eigen ontwikkeling tot economisch historicus. De toekomst van de Nederlandse economische geschiedschrijving ziet hij vooral in het nader uitwerken van de Nederlandse casus, ‘Nederland als historisch gidsland’: de economische geschiedenis van Nederland is van groot belang voor de geschiedenis van zulke verschijnselen als het kapitalisme, de consument, menselijke beïnvloeding van het milieu en dergelijke. Ook ziet De Vries een belangrijke rol weggelegd voor economische geschiedenis als het gaat om vragen als hoe duurzaam de economische voorsprong van de westers landen zal blijken te zijn en hoe de postmoderne economie zich zal ontwikkelen, in het bijzonder het vraagstuk van ongelijkheid, opnieuw geagendeerd door Thomas Piketty.

Mokyr wees in zijn bijdrage op de groeiende belangstelling van economen voor economische geschiedenis. Moe van de abstracte modellen – die zo opzichtig hebben gefaald de afgelopen jaren – gaan economen zich in toenemende mate richten op historische data om hun stellingen te onderbouwen. Uiteraard kwam ook daarbij Piketty ter sprake, wiens historische data zijn stelling dat ongelijkheid weer aan het stijgen is schragen en tegelijkertijd neoliberale economen dwingen om zich weer met ongelijkheid bezig te houden. Mokyr ziet ook gevaren voor economen die zich op het historisch pad begeven en ziet daarin een gidsrol weggelegd voor de economisch historici, wier kennis complementair is. Zonder meer stelt hij bovendien dat de beste economen niet behoren tot diegenen die geen belangstelling hebben voor historische ontwikkelingen.

Aan het einde van de middag werd een speciaal, als boek uitgegeven themanummer van het TSEG aangeboden aan KNAW-president Hans Clevers. Het themanummer, onder redactie van Milja van Tielhof, Jan Luiten van Zanden, Jacques van Gerwen en Co Seegers, staat in het teken van  de economische geschiedschrijving in Nederland gedurende  de afgelopen eeuw en bevat naast artikelen van de redacteurs, bijdragen van Keetie Sluyterman, Jan Lucassen, Herman de Jong, Karel Davids, Piet van Cruyningen, Ulbe Bosma, Elise van Nederveen Meerkerk, Marlous Schrover, Jan Kok, Marjolein ’t Hart en Maarten Prak. In zijn dankwoord sprak Clevers de wens uit dat de volgende honderd jaar van het NEHA maar een Gouden Eeuw van de economische geschiedschrijving mocht worden, en daar sloten de aanwezigen zich uiteraard van harte bij aan.

In elk geval  is deze honderdjarige nog zeer bij de tijd, zoals men op http://www.neha.nl/ kan zien. Naast de grootste schat van het NEHA, het gedigitaliseerde Tulpenboek uit ca. 1640, vindt men daar bijvoorbeeld sinds kort ook alle sinds 1915 verschenen NEHA-periodieken, zodat de verzamelde wijsheid van de honderdjarige voor elke belangstellende beschikbaar is.

Henk Looijesteijn
Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis/Radboud Universiteit

Luister naar het interview met Jan Luiten van Zanden over ‘100 jaar NEHA’ voor het NTR Radioprogramma De Kennis van Nu.

Historici.nl
Het KNHG is de grootste organisatie van professionele historici in Nederland. Het biedt een platform aan de ruim 1100 leden en aan de historische gemeenschap als geheel. Word lid van het KNHG.
Historici.nl
Terug naar de bron: de geschiedenis ontrafeld met nieuwe technologie. Dat is de missie van het Huygens ING, een onderzoeksinstituut op het gebied van geschiedenis en cultuur.