Historici.nl





#opstand
#cultuur en kunst
#politiek en bestuur
#maatschappij
#wetenschap en techniek
#oorlog en krijgsmacht
#economie en financiën
#kerk en religie
#overzeese gebieden
#scheepvaart
#onderwijs
#erfgoed
#recht
#kolonialisme
#archieven
#Tweede Wereldoorlog
#slavernij
#inclusiviteit
#Gender
Gepubliceerd op 25-04-2014

Verslag: Innig verbonden door monumenten en koektrommels

De stad Den Haag en de Oranjemonarchie zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Al sinds het einde van de zestiende eeuw is de stad de voornaamste residentie van de Oranjes en aldus het centrum van de Nederlandse hofcultuur. Zonder de stadhouderlijke en later de koninklijke familie was Den Haag waarschijnlijk nooit uitgegroeid tot de stad die zij nu is. De aanwezigheid van het hof was eeuwenlang van groot belang voor de lokale economie en bepalend voor de ontwikkeling van de stad tot regeringszetel van het Koninkrijk. Hoezeer Den Haag afhankelijk was van de Oranjes blijkt wel uit de periode 1795-1813, toen de familie noodgedwongen niet in de ‘Hofstad’ verbleef. In korte tijd verviel Den Haag tot een spookstad, geplaagd door leegstand en pauperisme. ‘Alles kwijnt en treurt’, schreef een Hagenaar destijds, ‘De Haag is De Haag niet meer’.

Landgenooten!

In dit licht is het begrijpelijk dat de viering 200 jaar Koninkrijk en in het bijzonder de gebeurtenissen in het jaar 1813 voor Den Haag van grote betekenis zijn. Immers, met de terugkeer van de Oranjes keerde ook de voorspoed terug en werd de stad in politiek opzicht opnieuw op de kaart gezet. Alle reden dus voor het Haags Historisch Museum om uitgebreid bij de viering stil te staan en een bijzondere tentoonstelling te wijden aan het twee eeuwen oude verbond tussen de Koninklijke familie en de Haagse bevolking. Onder de titel ‘Landgenooten! Onderdanen en Oranjes, 2013-2013’ presenteert het museum verschillende voorwerpen die de band tussen de inwoners van Den Haag en hun vorsten illustreren, van het onzekere begin van de monarchie in 1813 tot de dag van vandaag.

Twee eeuwen, vier ruimten

Wie de tentoonstelling bezoekt, begint zijn rondgang door tweehonderd jaar monarchie meteen op het spannendste moment: de vlucht van de laatste stadhouder vanaf het strand van Scheveningen en de landing van diens zoon, de latere koning Willem I, op datzelfde strand achttien jaar later. Vervolgens leidt de tentoonstelling de bezoeker in chronologische volgorde langs elk van Willems opvolgers tot aan het huidige koningspaar. De ruimten worden daarbij opvallend genoeg steeds kleiner. Verreweg de grootste zaal is geheel gewijd aan de monarchie in de negentiende eeuw. De volgende twee kamers staan in het teken van de vorstinnen Wilhelmina, Juliana en Beatrix en leiden uiteindelijk tot een smalle gang waar ‘gewone’ Hagenaars door middel van eigen verhalen en voorwerpen vertellen over hun band met de Oranjes.


Impressie van de eerste tentoonstellingszaal

Beproefde methoden 

De opzet van de tentoonstelling doet sterk denken aan eerdere exposities in het museum, namelijk de tentoonstelling ‘Kijk, daar gaat de Koning!’ die in 2011 te zien was en de verschillende presentaties die de voorbije jaren onder de noemer Mijn Den Haag te zien waren. Niet alleen wat betreft de aankleding van de verschillende ruimten zijn er overeenkomsten, ook een aantal tentoongestelde objecten waren al eerder te zien. Zo waren onder meer het portret van Van Hogendorp, het schilderij van het huldeblijk aan Wilhelmina en Juliana op het Malieveld in november 1918, de maquette van het monument op Plein 1813 en het kussen waarop Napoleon in 1811 de stadssleutels kreeg aangeboden de afgelopen jaren al in het museum te bewonderen.

Van Plein 1813…..

Desalniettemin laat de tentoonstelling een boeiende ontwikkeling zien. Hoogtepunt is zonder twijfel de eerste zaal, waar de relatie tussen de Haagse bevolking en de eerste drie Oranjevorsten wordt belicht. Behalve enkele fraaie portretten en gravures vindt men hier interessante maquettes voor monumenten en paleizen in Den Haag, alsmede verschillende interieurstukken: van het meubilair uit de Koninklijke wachtkamer van het voormalige Staatsspoor tot het reisbidet van koningin Emma. Zij geven niet alleen een aardig inkijkje in het leven van de negentiende-eeuwse vorsten, maar laten tevens zien dat de afstand tussen vorst en onderdaan in deze beginjaren van het Koninkrijk nog bijzonder groot was. De Hagenaar nam vooral kennis van de Oranjes door de verschillende vormen van uiterlijk vertoon die de vorst etaleerde. Imposante bouwwerken, militaire oefeningen en staatsieportretten maakten de monarchie voor de gewone man zichtbaar.


Gebruiksvoorwerpen markeren de band tussen het Koningshuis en onderdanen

…naar Wilhelmina pepermunt

Deze verhouding veranderde omstreeks de eeuwwisseling. De kamers die aan de vorstinnen van de twintigste eeuw gewijd zijn, geven dan ook een totaal andere indruk. Hier geen pompeuze monumenten of vorstelijke pracht en praal, maar vooral gebruiksvoorwerpen: sigarendozen, koektrommels en verschillende persoonlijke brieven en cadeaus die de band tussen Oranje en onderdaan illustreren. Enerzijds maken deze voorwerpen vanwege hun alledaagsheid en geringe artistieke waarde veel minder indruk dan de objecten in de eerste zaal. Zelfs de enkel schilderijen in de kamer, die een indruk geven van de feestelijkheden rondom de doop en het huwelijk van Juliana, steken schril af bij de portretten in de vorige ruimte. Anderzijds zijn zij niet minder interessant. Zij geven de bezoeker een uitstekende indruk van de wijze waarop de band tussen vorstin en volk na 1900 werd aangehaald. Voortaan hoefde men niet meer naar Noordeinde of Plein 1813 om de vorst te zien, maar vond men de Koninklijke familie gewoon op de koffietafel.

Oranje boven, Oranje onder

Gezien de fraaie ontwikkeling die de tentoonstelling schetst in de verhouding tussen onderdanen en Oranjes, is het jammer dat het museum niet meer achtergrondinformatie bij de tentoonstelling biedt. Door de tentoongestelde objecten bijvoorbeeld te verbinden aan thema’s als ‘de legitimatie van de nieuwe monarchie’, ‘de overgang naar een ceremonieel koningschap’ en ‘de commercialisering van de monarchie’ zou de tentoonstelling meer diepte krijgen en de verschillende voorwerpen meer duiding. Bovendien zou de expositie in dat geval goed aansluiten bij het recente wetenschappelijk onderzoek naar het verschijnsel Orangisme, zoals dat onder meer recentelijk werd gepresenteerd in de bundel Oranje Onder. De kans is nu groot dat bezoekers zich minutenlang vergapen aan de indrukwekkende maquettes en kunstig versierde stoelen, maar de zaaltjes met de koektrommels links laten liggen. En dat zou zonde zijn.

Diederik Smit, Universiteit Leiden

De tentoonstelling ‘Landgenoten! Onderdanen & Oranjes 1813-2013’ is nog tot maandag 5 mei te zien in het Haags Historisch Museum in Den Haag.

Diederik Smit
Diederik Smit (1983-) studeerde moderne politieke geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen en is sinds 2010 verbonden aan de vakgroep Vaderlandse Geschiedenis van de Universiteit Leiden. In 2015 promoveerde hij op het proefschrift Het belang van het Binnenhof, twee eeuwen Haagse politiek, huisvesting en herinnering. Ook werkte hij mee aan het recent verschenen standaardwerk over de geschiedenis van de Tweede Kamer In dit huis. Twee Eeuwen Tweede Kamer. Momenteel doet hij in het kader van het NWO-project The persistence of civic identities in the Netherlands onderzoek naar provinciale identiteit in Nederland in de periode 1748-1848.
Alle artikelen van Diederik Smit
Historici.nl
Het KNHG is de grootste organisatie van professionele historici in Nederland. Het biedt een platform aan de ruim 1100 leden en aan de historische gemeenschap als geheel. Wordt lid van het KNHG.
Historici.nl
Terug naar de bron: de geschiedenis ontrafeld met nieuwe technologie. Dat is de missie van het Huygens ING, een onderzoeksinstituut op het gebied van geschiedenis en cultuur.