Historici.nl





#opstand
#cultuur en kunst
#politiek en bestuur
#maatschappij
#wetenschap en techniek
#oorlog en krijgsmacht
#economie en financiën
#kerk en religie
#overzeese gebieden
#erfgoed
#scheepvaart
#onderwijs
#archieven
#kolonialisme
#Tweede Wereldoorlog
#recht
#gender
#inclusiviteit
#slavernij
#natuur en milieu
Gepubliceerd op 29-01-2015

Verslag: ‘The Roots of Nationalism, 1600-1815’

Nationalisme vóór het nationalisme

In het onderzoek naar de geschiedenis van het nationalisme kun je twee posities onderscheiden. Er zijn modernisten die vinden dat het nationalisme omstreeks 1800 is uitgevonden/geconstrueerd via ‘the invention of tradition’, ‘imagined communities’, nationaal onderwijs, gedrukte media en staatspropaganda; en er zijn primordialisten die vinden dat het fenomeen verder teruggaat, en dat er geen categorisch verschil is tussen modern nationalisme en vroegmodern patriottisme, nationaal gevoel en theorieën over nationaal karakter. Dat onderscheid maakt Caspar Hirschi in zijn boek The Origins of Nationalism (2012). Er zijn natuurlijk allerlei nuances, maar in het algemeen is ‘modernisme’ dominant onder historici van het nationalisme. De conferentie The Roots of Nationalism, 1600-1815, eind januari aan de Radboud Universiteit Nijmegen, was daarentegen grotendeels een primordialistisch verbond.

De conferentie is georganiseerd door Lotte Jensen en haar onderzoeksgroep Proud to be Dutch, die onderzoek doet naar vaderlandse nationale trots in 17e-eeuwse reisverslagen, 18e-eeuwse canonvorming, liederen en pamfletten rond oorlogen en vredesverdragen, en het verzet tegen Napoleon. Natuurlijk zijn ze zelf geen nationalisten – behalve een paar engerds in Leiden is geen zelfrespecterende Nederlandse historicus dat. Maar de provocerende titel van het project helpt wel om media-aandacht te krijgen als er weer eens een WK of nationale ramp is.

Caspar Hirschi, met wiens keynote de conferentie opent, betoogt dat nationalisme, in de zin van een gevoel van nationale gemeenschap met lands- en taalgrenzen en politieke implicaties, tenminste teruggaat tot het Concilie van Konstanz (1414-18). Daar spraken namelijk afgevaardigden als vertegenwoordigers van hun ‘nationes’. De consequentie die Hirschi daaruit trekt is dat ‘imagined communities’, anders dan Benedict Anderson stelt in diens gelijknamige boek, geen kranten en romans nodig hebben om te ontstaan. Joep Leerssen, de belangrijkste representant van het ‘modernisme’ in Nederland, heeft in een bespreking betoogd dat Hirschi iets aanziet voor een eend ‘because it looks like a duck, walks like a duck, and talks like a duck’. Blijkbaar, werpt Lotte Jensen tegen, denkt Joep dat het een muis is.

Andrew Hadfield omschrijft zichzelf in zijn keynote als een ‘vanishing primordialist’, iemand die in de ogen van modernisten een achterhaalde en ietwat verdachte positie aanhangt. Modernisten, stelt Hadfield, zien primordialisme als a-historisch omdat het voorbij gaat aan hoe het verleden geconstrueerd en wezenlijk anders is, hoe dingen die vanzelfsprekend lijken ook ooit ontstaan zijn. Hadfield keert het om: is niet juist de aanname dat het nationalisme rond 1800 begint, en de weigering om alles wat daarvoor plaatsvindt als nationalisme te zien, minstens even a-historisch?

David Bell ziet wel degelijk een categorisch verschil: vóór de Franse Revolutie is er geen sprake van nationalisme als politieke agenda, als –isme zogezegd. Hij haalt een plan van de Nationale Conventie uit 1792 aan, om nu vrijheid en deugd te verspreiden zoals voorheen de kerken onderdrukking en slechtheid inprentten. Maar ook Bell wijst daarbij op eerdere theorievorming en retoriek die aan dat programma ten grondslag lag. Terugkijkend op zijn boek The Cult of the Nation in France: Inventing Nationalism, 1680-1800 (2001) stelt hij vast dat hij zich bezondigd heeft aan één ahistorische aanname: dat die agenda van de Nationale Conventie ook daadwerkelijk de ‘kiem’ is van later nationalisme, als deel van een lijnrechte historische ontwikkeling. ‘The High Road to Modernity is actually quite bumpy.’

Daarbij sluit het betoog aan dat Stefaan Marteel geeft in een van sessies. Het nationalisme, stelt hij, wordt in de huidige geschiedschrijving teveel weergegeven als een onvermijdelijke ontwikkeling, een noodzakelijk deel van het moderniseringsproces. Die visie gaat volgens Marteel er niet alleen voorbij aan de contingentie van die ontwikkeling, maar ook aan de inhoud van nationaal denken: het is makkelijker om het te omschrijven als een soort van massapsychologische culturele tendens dan te verklaren wat het nationalisme ooit overtuigend maakte.

Het leuke van vroegmoderne nationale mythevorming is dat het een hoop anekdotisch materiaal oplevert. Zo laat Michael Wintle legpuzzels met landenstukjes zien, reconstrueert Lieke van Deinsen het uiteengevallen ‘Panpoëticum Batavum’ met 300 portretten van onze vaderlandse dichters, en vertellen Sara Trevisan en  Adam Coward bizarre Schotse en Welshe oorsprongsmythen met Egyptenaren, Trojanen, Noorse goden en Ierse invasies. Allermerkwaardigst is wel een kruisvormig, 2×2 meter groot document waarop de stamtafel van James VI oecumenisch wordt teruggevoerd tot al deze stamvaders, inclusief Aeneas, Wodan en Gomer.

Azar Gat mag de conferentie afsluiten met een overzicht van nationalisme van nul tot nu. Zijn boek Nations: The Long History and Deep Roots of Political Ethnicity and Nationalism (2013) komt naar eigen zeggen voort uit een ‘deep dissatisfaction’ met hoe de geschiedenis van het nationalisme tot nu toe geschreven is. Nationalisme, stelt Gat, is zo oud als staten, en wellicht nog ouder: elke stam definieert zichzelf als ‘mensen’ en de rest als ‘vreemden’, en elk volk verzet zich tegen een invasie, of hun eigen heersers nou rotzakken zijn of niet. Die alomvattende visie roept de nodige weerstand op. Vanuit het publiek vraagt René Koekkoek: als je zoveel verschillende dingen ‘nationalisme’ noemt, wordt daarmee de term dan niet betekenisloos?

Het is wel jammer dat er op de conferentie weinig ‘modernisten’ waren. Joep Leerssen kon naar eigen zeggen niet. Een pittig debat tussen Joep en Lotte in de nabije toekomst lijkt me wenselijk, bij de afsluiting van Proud to be Dutch of zo.

Floris Solleveld (Radboud Universiteit Nijmegen)

Meer artikelen en tekeningen van de auteur zijn te vinden op zijn blog.

Historici.nl
Het KNHG is de grootste organisatie van professionele historici in Nederland. Het biedt een platform aan de ruim 1100 leden en aan de historische gemeenschap als geheel. Word lid van het KNHG.
Historici.nl
Terug naar de bron: de geschiedenis ontrafeld met nieuwe technologie. Dat is de missie van het Huygens ING, een onderzoeksinstituut op het gebied van geschiedenis en cultuur.