Historici.nl





#opstand
#cultuur en kunst
#politiek en bestuur
#maatschappij
#wetenschap en techniek
#oorlog en krijgsmacht
#economie en financiën
#kerk en religie
#overzeese gebieden
#scheepvaart
#onderwijs
#erfgoed
#archieven
#kolonialisme
#recht
#Tweede Wereldoorlog
#gender
#inclusiviteit
#slavernij
Gepubliceerd op 08-07-2016

Verslag vijfde internationale workshop ‘New Political History and European Integration’

De nationale parlementaire debatten die voorafgingen aan de eerste directe verkiezingen voor het Europees Parlement (EP) lieten boven alles zien dat iedere lidstaat zijn eigen visie had op de functie van deze supranationale volksvertegenwoordiging. Deze debatten vormden het thema van de vijfde internationale workshop ‘New Political History and European Integration’ (1 juli 2016), dat ditmaal door het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis (CPG) in Nijmegen werd georganiseerd.

Hoewel historici de Europese integratie voorheen voornamelijk duidden vanuit de klassieke diplomatieke geschiedenis en institutionele geschiedenis, is er tegenwoordig steeds meer aandacht voor nieuwe politiek-historische benaderingen om het complexe integratieproces te onderzoeken. De zogenaamde ‘New Political History’ (NPH) benadrukt de gelaagdheid van het Europese project door bijvoorbeeld te focussen op de transnationale uitwisseling van ideeën en instituties, en de interactie tussen verschillende politieke culturen. Om de mogelijkheden en beperkingen van deze nieuwe benaderingen nader te bediscussiëren en het huidige Europa-onderzoek een internationaal platform te bieden, werd op 1 juli 2016 voor de vijfde maal de internationale workshop ‘New Political History and European Integration’ georganiseerd, ditmaal door Hilde Reiding, die als onderzoeker verbonden is aan het CPG. De dag werd voorgezeten door Wim van Meurs, die als hoofddocent Politieke Geschiedenis verbonden is aan de Radboud Universiteit.

Uitgangspunt van de workshop vormden de nationale parlementaire debatten die in de tweede helft van de jaren zeventig voorafgingen aan de eerste EP-verkiezingen (1979). Aanvankelijk bestond het EP uit afgevaardigden van de nationale parlementen, maar in 1976 werd in Brussel een Akte ondertekend die besloot dat het EP voortaan direct door de Europese bevolking gekozen moest worden. De nationale parlementaire debatten die hierop volgden om de Akte goed te keuren, vormen een interessante bron voor onderzoek naar de verschillende verwachtingen die bestonden in de afzonderlijke landen. Op welk niveau zou een Europese democratie in de eerste plaats moeten worden vormgegeven? Op Europees niveau, of op nationaal niveau? Hoe zagen nationale parlementen hun relatie met het EP voor zich? Hoe beschouwden zij de relatie tussen het EP en het electoraat? Werd er gesproken over een ‘Europees’ electoraat, of was er toch vooral sprake van ‘nationale districten’? Om deze vragen te kunnen beantwoorden, presenteerden vier onderzoekers papers over de parlementaire debatten in zeven (van de destijds negen) EG-lidstaten. Het onderzoek naar de twee nog ontbrekende lidstaten zal in een later stadium worden afgerond.

Voorafgaand aan deze papers hield Katrin Auel, politicoloog en hoofddocent Europese integratie aan het Institut für Höhere Studien in Wenen, een keynote presentatie over de stand van het onderzoek en de theorievorming rond de rol van nationale parlementen in de Europese Unie. Ze beargumenteerde dat binnen de politicologie de aandacht voor nationale parlementen de laatste tijd weliswaar is toegenomen, maar dat in dit onderzoek hoofdzakelijk een traditionele rational choice benadering wordt toegepast die uitgaat van zuiver redelijke besluitvorming van parlementariërs. Volgens Auel schiet een dergelijke benadering tekort, aangezien zij voorbijgaat aan de institutionele context waarin dergelijke besluiten worden genomen. Zij pleitte daarom voor een meer gevarieerde benadering, waarbij ook aandacht is voor het verklaren van politiek gedrag vanuit deze institutionele context en de daarin sociaal en historisch ingesleten gedragspatronen. Voor een volledig beeld is het van belang dat ook de invloed van de geschiedenis, publieke opinie en politieke cultuur en ander minder gemakkelijk grijpbare factoren op parlementaire besluitvorming  in kaart wordt gebracht.

De tweede lezing van de ochtend werd verzorgd door Koen van Zon, promovendus aan de Radboud Universiteit. In zijn lezing ging hij in op twee vroege debatten (1952 en 1958) in de Europese Gemeenschappelijke Vergadering (de voorloper van het EP) over mogelijke EP-verkiezingen en liet hij zien dat beide debatten alleen begrepen kunnen worden in hun historische en institutionele context. Zo vond het eerste debat plaats tijdens de oprichting van de Europese Politieke Gemeenschap (die uiteindelijk mislukte) en werden de eventuele verkiezingen een symbolische, democratische waarde toegedicht. Het tweede debat vond plaats tijdens de oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en in deze context werd de mogelijkheid van directe verkiezingen meer instrumenteel benaderd: verkiezingen waren voornamelijk wenselijk als middel om uiteindelijk alsnog een politieke eenheid te creëren.

Hierna volgden vier lezingen over de parlementaire debatten in de tweede helft van de jaren zeventig. Hilde Reiding beet het spits af met de debatten in het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Nederland; Marloes Beers (Universiteit Utrecht) ging in op het debat in het Franse parlement; professor Thorsten Borring Olesen (Aarhus Universitet) behandelde het Deense debat; en Joachim Wintzer (Kommission für Geschichte des Parlamentarismus und der Politischen Parteien, Berlijn) sloot af met België en Duitsland. Zij lieten onder andere zien dat geen enkel land een echte consensus kende betreffende het doel van de verkiezingen. Daarnaast verschilden ook per land de politieke ideeën die zij bij Europa hadden: veel Denen hoopten op een intergouvernementeel Europa, terwijl in het Nederlandse parlement juist federaal getinte idealen overheersten. Het beeld dat men had van een Europese democratie verschilde dientengevolge: terwijl het Deense parlement aanvankelijk een verplicht dubbelmandaat afdwong dat het democratische primaat stevig in handen van het nationale parlement plaatste, zagen veel Nederlandse politici de verkiezingen als een stap in een proces van geleidelijke overdracht van parlementaire bevoegdheden van het nationale naar het Europese niveau. Ook had ieder land door de verschillende context andere verwachtingen van het EP: terwijl in het Ierse parlement de gedachte aansprak dat Ierse Europarlementariërs de Ierse belangen zouden kunnen vertegenwoordigen in het EP, hadden veel Britse politici twijfels ten aanzien van de vraag of de afstand tussen kiezer en gekozene niet te groot zou worden. De lezingen bevestigden dat het Europese totaalbeeld  beter begrepen kan worden als het, behalve in de Europese context, ook in de nationale context geplaatst kan worden.

Fons Meijer, student-assistent Centrum voor Parlementaire Geschiedenis

Historici.nl
Het KNHG is de grootste organisatie van professionele historici in Nederland. Het biedt een platform aan de ruim 1100 leden en aan de historische gemeenschap als geheel. Word lid van het KNHG.
Historici.nl
Terug naar de bron: de geschiedenis ontrafeld met nieuwe technologie. Dat is de missie van het Huygens ING, een onderzoeksinstituut op het gebied van geschiedenis en cultuur.