1956: de afschaffing van de juridische handelingsonbekwaamheid van vrouwen

Door Antia Wiersma — Gepubliceerd op

In 2026 is het zeventig jaar geleden dat in Nederland de juridische handelingsonbekwaamheid van vrouwen werd afgeschaft. Op 2 mei 1956 stemde de Tweede Kamer voor een wet die dat regelde. De wet die deze juridische ongelijkheid ophief, is vernoemd naar een van de twee voorvechters van de afschaffing van de handelingsonbekwaamheid: de jurist Julius Christaan van Oven. De andere voorvechtster was de juriste en sociaaldemocratisch Kamerlid Corry Tendeloo.[i]

Handelingsonbekwaam

Sinds 1838 was in het Burgerlijk Wetboek het uitgangspunt van wilsovereenstemming tussen beide echtelieden vastgelegd. Dat betekende dat vrouwen, zodra ze hun jawoord aan hun echtgenoot hadden gegeven, onder het gezag (de maritale macht) van hun man kwamen. Ironisch genoeg was het jawoord van de vrouw op haar bruiloft dus haar laatste vrije handeling. Bij zijn jawoord werd hij niet alleen het hoofd van de ‘echtvereniging’, maar ook de wettelijke vertegenwoordiger van beide echtelieden.

Een getrouwde vrouw was handelingsonbekwaam en juridisch gezien min of meer gelijkgesteld aan een ‘onmondige’, zoals een kind, of aan iemand die onder curatele was gesteld, zoals een ‘geesteszieke’. Dat betekende dat zij zonder zijn toestemming geen zakelijke, financiële of juridische beslissingen mocht nemen. De uitzondering hierop waren de dagelijkse huishoudelijke uitgaven. Daarmee legde het Burgerlijk Wetboek in feite ook de traditionele rolverdeling tussen man en vrouw vast: hij de kostwinning, zij de huishouding.

Getrouwde vrouwen verloren ook het eigendomsrecht op de goederen en het vermogen die zij meebrachten bij hun huwelijk. Hun echtgenoot kreeg het recht om alle goederen van het echtpaar te verkopen, vervreemden of bezwaren. Oftewel, hij kon zonder haar toestemming alles verkopen, weggeven of wegdoen, verpanden of als onderpand laten dienen voor bijvoorbeeld een hypotheek. Daartegenover stond slechts een plicht van de man: zijn vrouw en kinderen beschermen.[ii]

Julius Christiaan van Oven

Van Oven (1883-1963) was jarenlang hoogleraar Rechtsgeleerdheid aan de Universiteit Leiden geweest voordat hij minister werd. Politiek gezien was hij een progressief-liberaal, een stroming die na de Tweede Wereldoorlog opging in de Partij van de Arbeid. Progressief-liberalen vonden dat het recht in overeenstemming moest zijn met de steeds wisselende en snel veranderende maatschappelijke omstandigheden. Van Oven pleitte al sinds 1927 voor een nieuwe huwelijkswetgeving.

Begin februari 1956 werd hij, op 74-jarige leeftijd, onverwachts minister van Justitie in het toen al demissionaire kabinet-Drees III. Reden hiervoor was dat de zittende minister plotseling overleed na een kort ziekbed als gevolg van een hartaanval. Dat ministerschap bood Van Oven een kans om zijn ideeën om te zetten in wetgeving en die kans greep hij met beide handen aan. Binnen een maand na zijn aantreden, legde hij een voorstel aan de Tweede Kamer voor waarin de rechtsposities van mannen en vrouwen binnen het huwelijk gelijk werd gesteld.

Corry Tendeloo

In de Tweede Kamer vond de nieuwbakken minister van Justitie het Kamerlid Corry Tendeloo (1897-1956) aan zijn zijde. Voor de oorlog was zij advocate en had zij haar eigen praktijk in Amsterdam. Hoewel Tendeloo ongetrouwd was en dus niet aan den lijve ondervond wat de juridische handelingsonbekwaamheid inhield, had zij in haar advocatenpraktijk wel gezien wat de consequenties van de juridische ongelijkheid voor getrouwde vrouwen waren.

Na de Tweede Wereldoorlog werd Tendeloo namens de Partij van de Arbeid lid van de Tweede Kamer. Als Kamerlid greep zij elke mogelijkheid aan om de maatschappelijke positie van vrouwen juridisch te verbeteren. Zo ijverde ze in 1948, met succes, voor meer zeggenschap van moeders over de opvoeding van hun kinderen. In 1955 wist zij een Kamermeerderheid te bewerkstellingen om het verbod op arbeid voor getrouwde ambtenaressen op te heffen. Een jaar later trok ze dus op met de nieuwbenoemde minister van Justitie Van Oven om de juridische handelingsonbekwaamheid van vrouwen ongedaan te maken.[iii]

De man was en bleef hoofd van de echtvereniging

Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel hield Tendeloo een gloedvolle rede in de Tweede Kamer. Daarin noemde zij het ‘dwaas’ dat vrouwen ‘in de gemeente, provincie en het parlement wel mochten meebeslissen over miljoenen guldens maar thuis niets te zeggen hadden’.[iv] Hoewel zij het overgrote deel van de Kamer achter het wetsvoorstel kregen, konden Van Oven en Tendeloo niet voorkomen dat er door toedoen van confessionele Kamerleden een amendement werd aangenomen. Daarin werd opnieuw vastgelegd dat de man het hoofd van de echtvereniging was en bleef, want ‘zo stond het in het Evangelie’.[v]

Door dit amendement bleef de echtgenoot op papier de baas in het gezin, ook al werden man en vrouw juridisch gezien gelijkgesteld. Daarmee had het slechts symbolische waarde. Het zegt veel over de tijdgeest. Het zou dan ook nog tot 1970 duren voordat deze bepaling uit het Burgerlijk Wetboek geschrapt werd.

Lex-van Oven

Na de Tweede Kamer volgde de Eerste Kamer op 12 juni 1956, toen de senatoren ook voor deze wet van Van Oven stemden. Daarmee was de zogenoemde Lex-van Oven een feit en de juridische handelingsonbekwaamheid van vrouwen per wet definitief opgeheven. De wet trad op 1 januari 1957 in werking, maar Corry Tendeloo mocht dit niet meer meemaken. Zij stierf in oktober 1956 aan de gevolgen van kanker.

 

[i] Deze bijdrage is gebaseerd op de Agneta Lezing 2026 die de auteur heeft uitgesproken op 8 maart 2026 in Museum Vlaardingen.

[ii] Deze paragraaf is gebaseerd op: Corjo Jansen, ‘De Lex-van Oven: 50 jaar opheffing handelingsonbekwaamheid van de gehuwde vrouw’, in: Nederlands Juristenblad, 81m 23 (2006), pp. 1256-1260.

[iii] Anneke Linders, Frappez, frappez toujours! N.S. Corry Tendeloo (1897-1956) en het feminisme in haar tijd (Hilversum 2003), 166, 182, 191.

[iv] Linders, Frappez, frappez toujours!, 193.

[v] Linders, Frappez, frappez toujours!, 193.

 

 

Over de auteur

Antia Wiersma

Antia Wiersma is naast directeur van KNHG, ook biograaf van dr. W.H. Posthumus-van der Goot.

Bekijk alle artikelen van deze auteur

Avatar foto