‘IJdeltuiterij, opgeblazenheid en gewichtdoenerij’ – historici, autobiografie en fictie. Een recensie.

Door Antia Wiersma — Gepubliceerd op

Hoewel Jan Romein tachtig jaar geleden waarschuwde voor egodocumenten als historische bron, met de daarna veel geciteerde quote ‘de gevaarlijkste aller bronnen’, beschouwen historici egodocumenten tegenwoordig als een veelzijdige en volwaardige historische bron. Dat bleek onlangs weer toen het Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap (KNHG) een oproep tot bijdragen voor lezingen en sessies voor een jaarcongres over dat onderwerp publiceerde. Een overweldigend aantal reacties, over de meest uiteenlopende onderwerpen, was het gevolg. De historicus Rudolf Dekker is een van de autoriteiten in Nederland op het gebied van egodocumenten. Recent verscheen van zijn hand een publicatie, met de heerlijke titel IJdeltuiterij, opgeblazenheid en gewichtdoenerij. Historici, autobiografie en fictie.

Brede definitie

Dekker constateert in de inleiding van die publicatie dat er een specifieke groep is die niet heeft bijgedragen aan de enorme productie van egodocumenten de afgelopen vijftig jaar. Daarmee doelt hij, zoals al blijkt uit de ondertitel van zijn boek, op onze eigen beroepsgroep. Zijn doel met deze publicatie is dan ook dit ‘onbekende terrein te verkennen’ (7). Om dat te kunnen doen hanteert hij voor deze publicatie enerzijds een beperkte definitie van egodocumenten: hij kijkt vooral naar (gepubliceerde) autobiografieën van Nederlandse historici. Anderzijds rekt hij dat begrip op door ook te kijken naar gepubliceerde familiegeschiedenissen en academische romans.

‘Wetenschappelijke veren’

Het antwoord op de vraag waarom de autobiografische productie van historici zo beperkt is, vindt Dekker bij de Amerikaanse historicus Jeremy Popkin. In zijn History, historians and autobiography uit 2005 analyseert Popkin driehonderd autobiografieën (waaronder drie Nederlandse) van historici. Hij concludeert dat de opleiding en beroepspraktijk van historici ‘op gespannen voet’ staan met het genre van autobiografie (24). Oftewel, wie opgeleid is tot historicus moet eerst zijn ‘wetenschappelijke veren’ afschudden voordat hij of zij zich kan wagen aan een autobiografie, een genre dat per definitie subjectief is en uitgaat van de ‘ik’ die zich in een wetenschappelijke publicatie bijna nooit laat zien.

Bescheidenheidstopos

Dekker laat in zijn boek zien dat vooral hoogleraren, veelal van het mannelijke geslacht, zich wagen aan een autobiografie. Zeg maar mannen van historische naam en faam. Dat staat in contrast met de manier waarop deze historici hun herinneringen, memoires of autobiografie legitimeerden. Historici die een autobiografie schreven, in welke vorm dan ook, vermeldden bovengemiddeld vaak dat ze dat op verzoek van anderen deden (10). Dekker vermoedt dat de ‘terughoudendheid’ van historici om over zichzelf te schrijven voortkomt uit het feit dat historici zichzelf graag presenteren als bescheiden, maar ook verband houdt met hun opleiding (10, 21). Tegelijkertijd wijst hij ons op het ‘eeuwenoude’ bescheidenheidstopos dat de historici in kwestie hier hanteren. Een bekend topos dat eenieder die zich bezighoudt met egodocumenten zal herkennen.

Vrouwelijke historici

Slechts een handjevol vrouwelijke historici heeft zich volgens Dekker gewaagd aan een autobiografie. Hij noemt er drie bij naam: Annie Romein-Verschoor (1895-1987), Hetty Wertheim-Gijse Weenink (1903-1988) en Bunna Ebels-Hoving (1932-2022). Maar alleen de autobiografie van Romein-Verschoor kwalificeert hij als een waarlijke autobiografie. Dekker stelt dat Ebels-Hoving vooral de ontwikkeling van haar vakgebied beschrijft en Wertheim-Gijse Weening ‘in de schaduw’ van haar echtgenoot, de historicus Wim Wertheim (1907-1998), bleef staan (15). Verder wijdt hij weinig tot geen woorden aan deze autobiografieën van vrouwelijke historici. Hij speculeert ook niet over het waarom van dit geringe aantal vrouwen dat zich waagde aan een autobiografie. Dat is een gemiste kans.

Familiegeschiedenis

Het tweede deel van deze publicatie is gewijd aan het genre van de familiegeschiedenis. Veelal was een beroemde vader de aanleiding voor een zoon of dochter voor een dergelijk boek. Dat veranderde, aldus Dekker, in de eenentwintigste eeuw, toen er ook boeken over ‘gewone’ vaders en moeders verschenen (44). In dit deel besteedt Dekker bovengemiddeld veel aandacht aan de boeken van kinderen die hun familiegeschiedenis in relatie tot de Tweede Wereldoorlog beschreven, in het bijzonder die door de historici Blom en Van der Heijden. De goede verstaander weet waarom en herkent wat Dekker eerder schreef in zijn publicatie Plagiaat en nivellering.

Academische roman

Het genre van de academische roman is relatief jong, het ontstond halverwege de twintigste eeuw en waaide over uit de Angelsaksische wereld (57). Over het algemeen smullen lezers van dergelijke boeken, denk bijvoorbeeld aan het succes van de reeks Het bureau door J.J. Voskuil. De populariteit van deze romans komt voort uit de herkenning van de personages, de intriges en conflicten in de academische wereld en de eigenaardigheden van de academische cultuur. Feit en fictie vermengen zich al snel in deze specifieke vorm. Wanneer dagboek en roman dicht bij elkaar liggen, zoals in het geval van Voskuil, zo concludeert Dekker, dan is een dagboek geen betere historische bron meer (77). Een interessante conclusie voor historici die proza niet beschouwen als historische bron.

De gevaarlijkste aller bronnen

IJdeltuiterij, opgeblazenheid en gewichtdoenerij leest prettig weg. De vele citaten uit de autobiografieën, familiegeschiedenissen en academische romans maken het ook een vermakelijk boek. Hoewel historici tegenwoordig dus volop gebruikmaken van egodocumenten, laat Dekker duidelijk zien dat de quote van Romein nog steeds opgeld doet. Hij concludeert dat de autobiografische producten van historici vooral iets zeggen over de geschiedenis van de geschiedschrijving (79). Deze publicatie mogen we dan ook toevoegen aan de gereedschapskist van iedere historicus en in het bijzonder aan het instrument van de bronkritiek.

 

Rudolf Dekker, ‘IJdeltuiterij, opgeblazenheid en gewichtigdoenerij’. Historici, autobiografie en fictie. Uitgeverij Panchaud 2025. 112 bladzijden, illustraties. ISBN 978-90-835500-41-6

Over de auteur

Antia Wiersma

Antia Wiersma is naast directeur van KNHG, ook biograaf van dr. W.H. Posthumus-van der Goot.

Bekijk alle artikelen van deze auteur

Avatar foto