Nieuwe vormen, oude vooroordelen. Antisemitisme in Nederland 1870-1960 – longread
Dit stuk is een ingekorte en bewerkte versie van de keynotelezing van Sietske van der Veen op het KNHG-jaarcongres “Antisemitisme in Nederland sinds 1800 – Geschiedenis en doorwerking” op 27 november 2025 in de OBA Oosterdok in Amsterdam.
Voor een historicus van Joods leven in de moderne tijd keert het thema antisemitisme regelmatig terug in de bronnen. De protagonisten in mijn onderzoek, Nederlandse Joden die zich bewogen door de grote omwentelingen van de negentiende en twintigste eeuw, moesten zich er steeds opnieuw toe verhouden.
Antisemitisme of Jodenhaat heeft in de loop van de geschiedenis vele gezichten gekend. Hoe werd de ideale Nederlandse samenleving, en wie daar wel en niet bij hoorden, vormgegeven in de publieke arena – in de politiek, de journalistiek, het culturele leven? En wat speelde zich af “op de grond” – op straat, op school, op het werk en op de club?
Graag wil ik laten zien, ten eerste, dat het noodzakelijk is om antisemitisme niet strikt vanuit Nederland maar door een transnationale lens te benaderen, en, ten tweede, hoe belangrijk het is om het Joodse perspectief te onderkennen. Hoewel dit laatste logisch klinkt, blijven de strategieën van Joden om met antisemitisme om te gaan nogal eens onderbelicht, en ligt de nadruk vaak op de antisemitische uitingen en degenen die ze uiten.
Containerbegrip
Definities zijn belangrijk, en ze moeten passend zijn voor het historische fenomeen dat we bestuderen. Hoewel de term antisemitisme – of eigenlijk, Antisemitismus – in 1879 werd geïntroduceerd door de Duitse journalist Wilhelm Marr, zijn vooroordelen over en haat jegens Joden eeuwenoud. Omdat Joden slechts één God aanbidden. Omdat zij Christus niet als de Messias beschouwen. Omdat zij tegen wil en dank vaak werkzaam waren in de goederen- of geldhandel. Of omdat zij simpelweg een minderheid zijn – “de eeuwige Ander”. Joden zijn in de loop van de geschiedenis om deze en meer redenen gehaat, gevreesd, ontweken, uitgesloten, verdreven en vermoord.
Vandaag de dag is antisemitisme tot op zekere hoogte een containerbegrip geworden. Zoals de Britse historicus Mark Mazower schrijft in zijn recent verschenen boek On Antisemitism: al wat loopt van “vooroordelen en stereotypen tot gevoelens, gedrag en vormen van wetgeving, […] en daden van geweld, van kleinzielige behandeling tot moord en genocide” kan worden geschaard onder antisemitisme. (On Antisemitism, 7) Feitelijk is antisemitisme, zo beschrijft historicus Bart Wallet, “een repertoire van anti-Joodse mythen, sprookjes en iconografische afbeeldingen die een plek innemen in [ons] cultureel archief” en waar “voortdurend nieuwe beelden [bijkomen], [maar] bijna nooit iets [uitgaat].” (NRC)
Als een term, zo merkt ook Mazower op, heeft antisemitisme verschillende dingen betekend op verschillende momenten. (On Antisemitism, 9) En hoewel de term nadelen heeft, zo stelt de eveneens Britse historicus Matthew Bolton, zijn de verschillende betekenislagen die het woord door de geschiedenis heen heeft gekregen door ervaring en interpretatie dermate significant dat het gebruik van het begrip rechtvaardigt. (K.)
De “Joodse kwestie”
In de jaren zeventig van de negentiende eeuw werd in Europa het woord antisemitisme geboren, maar Jodenhaat dus niet. In deze periode kreeg deze wel nieuwe, allereerst politieke dimensies – eerst in het buitenland, en dan ook in Nederland. En dit kende een weerslag op Joden zelf, die er op verschillende manieren op reageerden.
In het laatste kwart van de negentiende eeuw plukten steeds meer Joden in Europa de vruchten van hun burgerlijke gelijkstelling, hun emancipatie. Gelijke rechten hadden Joden in Nederland – toen de Bataafse Republiek – gekregen in 1796, in navolging van Frankrijk. Na het midden van de negentiende eeuw hadden ook Joden in landen als Engeland en de Duitse staten burgerrechten gekregen, waar dat bijvoorbeeld in Rusland, dan de Sovjet-Unie, pas in de twintigste eeuw zou gebeuren.
Het feit dat in steeds meer landen Joden op papier volwaardige burgers waren geworden, bracht ook een tegenbeweging op gang. Bij het vormgeven van de nieuwe natiestaten ontstonden vragen over wie er nu eigenlijk in die natiestaten thuishoorden – en wie niet. Waren Joden terecht burgers geworden, of waren zij eigenlijk vreemdelingen? Konden Joden loyaal zijn aan een land, of alleen aan het Joodse volk? Moesten zij werkelijk een plek hebben in Europese samenlevingen, of daaruit worden “weggesneden”? Kortom: konden Joden bij de nationale identiteit horen, of slechts bij de Joodse natie? En welke rechten en beperkingen hoorden daarbij?
Anti-Joodse denkbeelden tierden welig in het debat over het zogenaamde “Joodse vraagstuk.” Vooral in Frankrijk, Duitsland en Oostenrijk kreeg het politiek antisemitisme in pers en parlement voet aan de grond. Hoewel de zelfbenoemde “antisemieten” een marginale politieke stroming vormden, bouwden zij voort op breder levende sentimenten en kenden de mechanismen die zij in gang zetten een langere doorwerking en invloed in de eerste helft van de twintigste eeuw.
Verschillende krachten trokken aan Europese Joden: aan de ene kant werd verwacht dat zij zich “assimileerden” en zo volledig opgingen in de natiestaten waarvan zij nu deel uitmaakten. Aan de andere kant werd Joodse emancipatie en integratie als bedreiging gezien, als iets waarvoor niet-Joden op hun hoede moesten zijn, en konden Joden maar beter duidelijk herkenbaar zijn.
Joden laveerden deze discussie op uiteenlopende manieren. Binnen Joodse gemeenschappen overal speelden discussies over de kansen en uitdagingen van emancipatie en “assimilatie” en hoe om te gaan met antisemitisme. Er waren Joden die zich identificeerden met lokale nationalistische bewegingen binnen de grotere rijken waar zij deel van uitmaakten, zoals het Oostenrijk-Hongaarse en het Ottomaanse Rijk. Maar ook diaspora-nationalisme speelde een rol: de transnationale identificatie en verbinding met andere Joden. Sommige Joden zagen geen toekomst in Europese natiestaten. De arts en journalist Leo Pinsker schreef in Autoemanzipation dat Joden “overal gasten,” “overal vreemdelingen” waren, en dat zij daarom een eigen nationaal thuis, een toevluchtsoord nodig hadden. Zionistische en territorialistische bewegingen zagen het licht.
Drie varianten
In Nederland waren de debatten over de “Joodse kwestie” lang niet zo heftig als verder oostwaarts. Joden en niet-Joden vonden elkaar in de publieke sfeer meestentijds in de mythe van Nederland als een primair tolerant land. De grootschalige pogroms – het anti-Joodse geweld – in het Russische Rijk, bijvoorbeeld, die in verschillende golven van intensiteit vooral na de moord op tsaar Alexander II in 1881 een vluchtelingenstroom uit Oost-Europa op gang brachten, zorgden onder Nederlandse Joden én niet-Joden voor grote verontwaardiging en solidariteit met de vluchtelingen, in de vorm van inzamelingsacties en opvang. Verschillende Joodse verenigingen, zoals het Algemeen Israëlietisch Verbond, de Nederlandse tak van de transnationale Alliance Israélite Universelle, maakten de bestrijding van antisemitisme in Oost-Europa, Noord-Afrika en het Midden-Oosten tot hun programma. Deze acties en organisaties bevestigden het beeld dat antisemitisme vooral een probleem van over de grenzen was.
Niettemin sijpelden de nieuwe vormen van antisemitisme, al kenden deze nooit een grootschalige gewelddadige component of officieel beslag in de vorm van politieke partijen, wel degelijk vanuit het buitenland in Nederland door. In ons gesegmenteerde land kwamen anti-Joodse denkbeelden in verschillende vormen onder katholieke, protestantse, socialistische en liberale Nederlanders voor. Dat uitte zich in ten minste drie varianten van antisemitisme: religieus, politiek en sociaal.
In Limburg werd in 1890 bijvoorbeeld het weekblad De Talmoedjood opgericht, naar het gelijknamige antisemitische pamflet van de Duitse theoloog August Rohling. Hoewel het blad op veel weerstand stuitte, waren de daarin gepubliceerde anti-Joodse stereotypen en denkbeelden, deels puttend uit een eeuwenoud religieus repertoire, wel degelijk wijdverbreid, zeker in de katholieke grensstreek met Duitsland.
Maar ook in het politieke hart van Nederland bleven Joden in deze periode niet buiten schot. In de Eerste Kamer werd gedebatteerd over de vraag of Joden nu vreemdelingen waren of niet. De benoeming van de bankier en filantroop Abraham Carel “A.C.” Wertheim tot lid van de Provinciale Staten van Noord-Holland werd meermaals getraineerd vanwege een grootschalige fraudezaak rondom de Rotterdams-Joodse zakenman Lodewijk Pincoffs, een zaak die een golf van anti-Joods sentiment op gang bracht.
Tussen burgers onderling, intussen, speelden anti-Joodse vooroordelen een grote rol, in Nederland zoals daarbuiten. Het bewustzijn van wie Joods was en wie niet was sterk. Interacties tussen Joden en niet-Joden kenden een bekend patroon van vaststaande sociale rollen, door de historicus Dik van Arkel “gelabelde interactie” genoemd: percepties van Joden waren veelal gebaseerd op generalisaties, waarbij vooroordelen leidend waren en interacties die daar tegenin gingen als uitzondering op de regel werden beschouwd. (The Drawing of the Mark of Cain, 158-159) Risjes, de Jiddische benaming voor de alledaagse vormen van sociaal of maatschappelijk antisemitisme, waren wijdverbreid. Scheidslijnen en glazen plafonds bleven bestaan. Zo werd de architect Michel de Klerk door zijn collega’s “Sam” genoemd – want, zo stelden zij, “Joden heten geen Michel.” (BWN)
Keerpunt in de jaren dertig
Omdat het politieke antisemitisme relatief gering was in Nederland en als on-Nederlands werd beschouwd, want strijdig met de lange traditie van Nederlandse verdraagzaamheid, konden Nederlandse Joden lange tijd hun ogen sluiten voor het veel alledaagsere sociale antisemitisme en dat ook half vergoelijkend wegzetten als risjes – vervelend, hinderlijk, maar niet echt schadelijk. Dat veranderde in het interbellum, en met name in de jaren dertig.
In deze periode van economische crisis en forse toename van antisemitische propaganda en politiek beleid in grote delen van Europa, kregen ook Nederlandse Joden te maken met steeds openlijkere vormen van antisemitisme. Politieke bewegingen als het fascistische Zwart Front, de Nationaal-Socialistische Nederlandsche Arbeiderspartij en de Nationaal-Socialistische Beweging gaven het antisemitisme een politiek platform – tot in het parlement toe.
Maar ook buiten deze expliciet nationaalsocialistische en fascistische bewegingen werd antisemitisme salonfähiger. Zo werd bijvoorbeeld betoogd dat er beter maar niet teveel Duits-Joodse vluchtelingen toegelaten konden worden, omdat dit tot een groei van het antisemitisme zou leiden. Zoals minister-president Hendrikus Colijn in 1938 betoogde: “In deze tijd is geen enkel volk vrij van anti-semitisme. Indien men ongelimiteerd een stroom van Duitse Joden zou toelaten, zou de stemming van ons volk tegen de Joden ten ongunste kenteren.” (Jan Baert, De vluchteling in Nederland, 13)
In de angst voor Joodse vluchtelingen van over de grens die in de jaren dertig naar Nederland kwamen, speelden niet alleen economische overwegingen en racistische opvattingen een rol, maar ook politiek-antisemitische stereotypen. Joden werden gezien als een bedreiging voor de politieke stabiliteit van het land. Dat kon zich uiten in een gelijkstelling van Joden met het gevaar van het bolsjewisme: het toelaten van “judeo-bolsjewisten” zou de staat omver kunnen werpen. Maar het kon zich evenzeer uiten in het idee dat Joden als bankiers en kapitalistische captains of industry, “geldjoden,” aan de touwtjes probeerden te trekken en de samenleving uitbuitten voor hun eigen belangen.
Soms werd ook het zionisme in die giftige mix betrokken, als bewijs voor de onbetrouwbaarheid van de Joden en hun greep naar politieke macht. Joden zouden uiteindelijk uit zijn op een totale omkering van de waarden van de Nederlandse samenleving, ten koste van “het Nederlandse volk.” Zo werd de margarinefabrikant en politicus Sam van den Bergh na zijn bezoek aan het Zionist World Congress in Zürich in 1937 er in het NSB-weekblad Volk en Vaderland van beschuldigd niet loyaal te zijn aan Nederland: “[Z]ijn bekentenis tot [zijn] eigen Joodsche volk [te behooren] [kan] niet anders gezien worden dan als een bekentenis, dat [hij] toch eigenlijk niet tot het Nederlandsche volk [behoort] en zelfs niet [wil] behooren. Niemand kan nu eenmaal tot twee volken tegelijk behooren.” (Volk en Vaderland, 6 augustus 1937)
Joodse strategieën
Nederlandse Joden ontwikkelden verschillende, soms door elkaar lopende strategieën in reactie op de anti-Joodse vooroordelen waarmee zij sinds de opkomst van het moderne antisemitisme geconfronteerd werden.
Een eerste strategie was een vasthouden aan Nederlands nationalisme en de mythe van verdraagzaamheid en antisemitisme als extern, buitenlands probleem: wie zich aan antisemitisme schuldig maakte, was geen echte Nederlander. Deze strategie was natuurlijk eveneens een manier om steun te vergaren voor de veroordeling van de uitwassen die er wel waren, en fungeerde tot op zekere hoogte als een selffulfilling prophecy. A.C. Wertheim, bijvoorbeeld, reageerde koeltjes op de vraag of hij niet dankbaar moest zijn om als Jood te zijn verkozen tot Eerste Kamerlid. Hij zei dat hij niet diende “in de Staten-Generaal als een Jood of voor de Joden” maar als “[burger] van de Staat, met gelijke rechten en plichten.” (vrij vertaald naar Reappraising the History of the Jews in the Netherlands, 304)
Een tweede strategie was die van ontwijking en, tot op zekere hoogte, aanpassing. Joden pasten hun namen, accent en gedrag aan, om te voorkomen aan stereotypen te voldoen of bepaalde kansen te missen. Zo koos de jurist Lodewijk Ernst Visser er in 1903 voor om zijn carrière als ambtenaar bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken niet voort te zetten. Die was hij enkele jaren daarvoor gestart, op het hoogtepunt van de Dreyfusaffaire in Frankrijk, waarbij een Joodse legerofficier valselijk beschuldigd was van spionage. Het anti-Joodse sentiment bij Buitenlandse Zaken was Visser te groot.
Maar er was ook de strategie van verzet. Textielfabrikant Marcus van Gelderen, bijvoorbeeld, schreef in 1890 een open brief aan de Enschedese herenclub de Groote Sociëteit toen hem het lidmaatschap geweigerd was vanwege zijn Joodse identiteit: “Gij déballotteerende meerderheid hebt uit uw midden geweerd een medeburger, omdat hij door het toeval van geboorte Jood is, doch gij hebt daarmede het stempel van onverdraagzaamheid op het gelaat gedrukt, het brandmerk van rassenhaat op uw voorhoofd, een mistig aureool van domheid en vooroordeel om de slapen.” (Oorlogsgravenstichting) In de jaren dertig, toen er barsten kwamen in het beeld van het tolerante Nederland, nam de Joodse mobilisatie tegen het antisemitisme toe. Die uitte zich bijvoorbeeld in de publicatie van pamfletten en de oprichting van clubs die zich tot doel stelden Jodenhaat, fascisme en nationaalsocialisme te bestrijden.
Een vierde strategie, die in de jaren dertig steeds meer voet aan de grond kreeg, was die van zionisme en aliyah, emigratie naar het dan mandaatgebied Palestina. Zionisten geloofden niet in het Nederlandse tolerantieverhaal. Zij namen antisemitisme zeer serieus. Fritz Bernstein, een van oorsprong Duitse Jood en voorzitter van de Nederlandse Zionistenbond in de jaren dertig, schreef reeds in 1928: “Wie met open oogen en onbevooroordeeld om zich heen ziet, en de Joden in hun maatschappelijke verhouding tot de niet-Joden rustig bekijkt, die zal elk oogenblik kunnen constateeren, dat het anti-Joodsche instinct in alle lagen der bevolking volstrekt onverzwakt leeft, en in wezen absoluut niet verschilt van het ‘buitenlandsche’ antisemitisme.” (Bernstein, Maatschappelijk antisemitisme)
Na de Shoah
Tijdens de Shoah, de Holocaust, werd het transnationale karakter van antisemitisme zichtbaar op de meest gruwelijk denkbare manier. Duidelijk werd waar antisemitisme in haar meest extreme vorm toe kan leiden.
Na de Shoah was het antisemitisme geenszins uit Europa verdwenen. Hoewel Nederland geen gewelddadige pogroms kende zoals die zich in Polen afspeelden, was er in de jaren 1945-46 ook hier een opleving van anti-Joods sentiment, onder andere beïnvloed door de naechoënde nazipropaganda en de door de oorlog ontstane afstand tussen Joden en niet-Joden. Het eigen Nederlandse antisemitisme werd in de directe naoorlogse periode nog niet geassocieerd met de Shoah.
Een jonge Joodse vrouw die in juni 1945 terugkeerde naar Amsterdam en daar een kamer zocht, kreeg te horen: “Ik neem geen Joden in huis.” (NIOD: SOTO inv. nr. 74) Een man die rond dezelfde tijd aankwam op het Centraal Station in de hoofdstad en vroeg of hij vanwege zijn zeer verzwakte toestand aan de kant mocht zitten in plaats van in de rij te staan, kreeg te horen: “Daar beginnen de Joden weer! Jullie hebben altijd wat te klagen!” (NIOD: SOTO inv. nr. 74)
Van de vooroorlogse strategieën van Nederlandse Joden om het hoofd te bieden aan antisemitisme was die van vasthouden aan het nationale tolerantieverhaal een diepe teleurstelling gebleken. Aanpassing was na de oorlog de overlevingsstrategie voor velen. Doorgaan, dingen niet moeilijker maken, klein houden – het werd door veel Joden als de enige manier gezien om in de publieke sfeer een leven op te bouwen. Het Monument van Joodse Erkentelijkheid in Amsterdam, opgericht in 1950 als teken van dank aan de hulp door niet-Joden aan Joden geboden tijdens de oorlogsjaren, is een stenen teken van deze tijd.
Verzet tegen antisemitisme was er slechts tot op zekere hoogte. Emigratie, echter, was in de eerste jaren na de oorlog een strategie die door veel overlevenden van de Shoah gekozen werd. Duizenden vertrokken. Eerst vooral naar Amerika en Canada, en na 1948 ook in toenemende mate naar Israël. “Eén ding was zeker,” schreef de Duitse Jood Fred Angress, die tijdens de oorlog in Amsterdam ondergedoken had gezeten, “er was geen toekomst voor ons in Europa. Het zou ondenkbaar zijn geweest om te leven in welke Europese stad dan ook tussen mensen van wie sommigen direct verantwoordelijk waren voor de moord op miljoenen mensen.” (JCK inv. nr. D017366)
Na de Shoah is er een sluier gaan hangen voor hoe we antisemitisme beschouwen. We zijn slecht in staat het fenomeen los te zien van de massamoord op de Europese Joden in het midden van de vorige eeuw. Maar verschillende onderstromen van Jodenhaat zijn er dan wel mee verbonden, maar hebben er ook onafhankelijk van bestaan. Er is een longue durée van antisemitisme die we moeten onderkennen om het fenomeen in de geschiedenis te kunnen analyseren. Dan begrijpen we ook hoe het na de oorlog kon voortbestaan.
Ik hoop dat ik heb laten zien, ten eerste, hoe onontbeerlijk een transnationaal perspectief op antisemitisme is om de Nederlandse casus in al haar facetten te kunnen beschouwen, en ten tweede, dat we Joodse reacties centraal moeten stellen om de impact van antisemitisme werkelijk te begrijpen.
