Historici.nl





#opstand
#cultuur en kunst
#politiek en bestuur
#maatschappij
#wetenschap en techniek
#oorlog en krijgsmacht
#economie en financiën
#kerk en religie
#overzeese gebieden
#erfgoed
#scheepvaart
#onderwijs
#archieven
#kolonialisme
#Tweede Wereldoorlog
#recht
#gender
#inclusiviteit
#slavernij
#natuur en milieu
Gepubliceerd op 09-06-2020

Van oude vrijster naar happy single

Door Mirjam Janssen

Ongetrouwde vrouwen telden eeuwenlang nauwelijks mee. Ze konden vaak niet zelfstandig wonen of werken en er al helemaal geen minnaars op na houden. Pas de laatste decennia is daar verandering in gekomen.

Tijdens mijn onderzoek voor Liefde in de Lage Landen viel me de ellendige positie van ongetrouwde vrouwen door de eeuwen heen pas goed op. In mijn boek beschrijf ik de geschiedenis van Nederland aan de hand van vijftien echtparen. Getrouwde vrouwen golden tot 1956 als handelingsonbekwaam en hadden niets te zeggen over hun bezit of hun kinderen. Maar ze ontleenden wel status aan hun positie als echtgenote; de meeste ongehuwde vrouwen waren veel slechter af.

In de tweede helft van de negentiende eeuw kwam er aandacht voor hun positie. Er was in die jaren veel discussie over de zogeheten ‘huwelijkskwestie’: 20 procent van de vrouwen bleef ongetrouwd en de vraag was wat er met hen moest gebeuren. Zeker alleenstaande vrouwen uit de hogere klasse konden geen kant op. Ze hadden meestal geen werk en moesten zich door familieleden laten onderhouden. Bij gebrek aan ontwikkeling waren ze gedoemd hun tijd te verdoen met zinloze activiteiten en niemand had respect voor hen. ‘Dikwijls weigert men haar de gewone beleefdheid, want zij is meisje noch vrouw,’ constateerde Multatuli.

Voor de feministe Aletta Jacobs vormden oude vrijsters een waar schrikbeeld, zoals ze zestig jaar later in haar Herinneringen (1924) schreef. Ze voelde zich ‘diep ongelukkig bij het vooruitzicht dat mijn leven zou verloopen als dat van zooveel ongehuwde vrouwen bij ons op het dorp. ’s Morgens huishoudelijk werk verrichten, ’s middags met een handwerkje achter de horretjes zitten gluren; en dat jaren achtereen, elken dag opnieuw.’

Nogal wat vrouwen werden ‘zenuwziek’ door de deprimerende situatie waarin ze verkeerden. Daarom, zo betoogden de eerste feministen, moesten vrouwen kunnen doorleren. Dan hadden ze in ieder geval een opleiding achter de hand als ze alleenstaand bleven. De oprichting van middelbare meisjesscholen vanaf 1867 en de toelating in de jaren daarna van meisjes tot de hogere burgerscholen vormden een eerste stap.

Op alleenstaand moederschap rustte een enorm taboe. Het aantal buitenechtelijke kinderen in Nederland was in de negentiende eeuw laag, circa 1,5 procent. Stellen wachtten met kinderen krijgen tot ze gehuwd waren of trouwden desnoods als de vrouw in verwachting was geraakt. Maar als een zwangere vrouw alleen bleef, was de positie van haar en haar kind vaak afschuwelijk.

Sinds de Franse tijd en de invoering van de Franse Code Civil uit 1811 in Nederland stond het recht in dit soort kwesties aan de kant van de man: het verbood een vaderschapsonderzoek. Voor die tijd kon bij onenigheid over de verwekker ook de zwangere worden gehoord – de eed van een barende vrouw had groot gewicht. De rechter kon de vader dwingen mee te betalen aan het onderhoud van het kind, al kwam dat in de praktijk waarschijnlijk niet veel voor.

Maar dankzij Napoleon was geen enkel proces meer mogelijk, hij wilde zijn soldaten niet met dit soort vervelende zaken belasten. Ongewenst zwangere vrouwen – vaak dienstmeisjes of arbeidsters – moesten daardoor zelf maar zien hoe ze hun buitenechtelijke kinderen onderhielden. Op veel steun hoefden ze niet te rekenen, want hulp aan ‘gevallen vrouwen’ gold als aanmoediging van zedeloosheid. In hun wanhoop legden deze vrouwen hun kinderen soms te vondeling of pleegden ze zelfmoord. Van de buitenechtelijk geboren kinderen stierf bijna de helft binnen een jaar doordat de moeders niet goed voor hen konden zorgen. En als ze wel overleefden, hadden ze weinig maatschappelijke mogelijkheden. Het verbod op vaderschapsonderzoek werd pas in 1909 opgeheven.

Tegenwoordig telt Nederland bijna 3 miljoen alleenstaanden, maar het stigma van zieligheid dat ongehuwden vroeger hadden is grotendeels verdwenen. Het traditionele huwelijk is niet langer de norm en dat is een verademing voor iedereen die zijn leven op een andere manier leidt.

Ongetrouwde vrouwen zijn niet meer het mikpunt van spot. Al verkeren sommige van hen nog wel in een kwetsbare positie als bijstandsmoeder of als alleenstaande moeder met een laag inkomen. Maar ze hebben hoe dan ook veel meer vrijheid dan vroeger om hun bestaan in te richten zoals ze willen. Niemand noemt hen nog oude vrijsters en een deel ziet zichzelf juist als ‘happy single’.

Mirjam Janssen (1963) heeft geschiedenis gestudeerd, is medewerker van Historisch Nieuwsblad en geeft schrijfcursussen. Dit artikel is gebaseerd op haar zojuist verschenen boek Liefde in de Lage Landen. Een portret van Nederland in 15 huwelijken. Daarin schetst ze aan de hand van vijftien echtparen de ontwikkeling van Nederland in de afgelopen 500 jaar.

Historici.nl
Het KNHG is de grootste organisatie van professionele historici in Nederland. Het biedt een platform aan de ruim 1100 leden en aan de historische gemeenschap als geheel. Word lid van het KNHG.
Historici.nl
Terug naar de bron: de geschiedenis ontrafeld met nieuwe technologie. Dat is de missie van het Huygens ING, een onderzoeksinstituut op het gebied van geschiedenis en cultuur.