Historici.nl





Gepubliceerd op 29-02-2024

Dossier Provo’s Nederland – Provo’s symbolische aanval op ‘consumptieverslaving’

‘De witte fiets simboliseert eenvoud en hygiene tegenover de protserigheid en vuilheid van de autoritaire auto.’

Wie in 1965 het Spui in Amsterdam bezocht, rekende allicht op rook, uche-uche-geroep en opstootjes. Ze waren vaste prik bij de befaamde optredens van ‘anti-rook-magiër’ Robert Jasper Grootveld op het Spui. Grootveld had het door een tabaksproducent geschonken beeldje ‘Het Lieverdje’ op het Spui tot middelpunt van zijn happenings gemaakt. Met de happenings stelde hij de consumptieverslaving van de maatschappij aan de kaak. Maar op woensdag 28 juli 1965 ondersteunde Grootveld een ander soort actie bij het Lieverdje. Zijn Rotterdamse geestverwant Thom Jaspers droeg een ‘beschuldiging van moord aan alle automobilisten’ voor – onderbroken door de yell ‘bram, bram bram’. Ondertussen schilderde Provo-voorman Roel van Duyn met enkele medestanders drie zwarte fietsen wit.[1] Kritiek op de consumptiemaatschappij was een elementair onderdeel van Provo’s maatschappijkritiek. Een nadere analyse van haar acties laat zien hoe zorgen om maatschappij en milieu in de jaren zestig nauw verweven waren.

Witte Fietsenplan

Veel bekijks trok de actie niet. Verbaasd merkte een Parool-journalist op dat de Provo’s na afloop bovendien zelf op de fietsen wegreden, in plaats van ze aan het publiek ter beschikking te stellen. Toch groeide het ‘Witte Fietsenplan’ dat met deze manifestatie gelanceerd werd uit tot één van de bekendste initiatieven van Provo. Overal in de stad moesten witte fietsen zonder slot komen te staan. Mensen konden die gebruiken en vervolgens laten staan voor anderen. De actie zou zo een daad stellen tegen privébezit en het gebruik van auto’s in de stad helpen terugdringen.

Al sinds de jaren zestig worstelt de geschiedschrijving over Provo met een tegenstrijdigheid. Dit was met de lancering van het witte fietsenplan overduidelijk: Provo stelde niet zoveel voor, maar was tegelijk een icoon van de sixties. Met een mengelmoes van verbazing, bewondering en vertwijfeling bestempelde Nieks Pas Provo als een ‘mediafenomeen’. Piet de Rooy analyseerde het handige ‘meeliften’ van de groep met de acties van Grootveld en de in zijn ogen oppervlakkige anti-houding, ‘nauwelijks een basis dus voor een min of meer coherente beweging.’[2]

Meeliften

‘Meeliften’ is een rake metafoor om het belang van Provo voor de kritiek op de consumptiemaatschappij te duiden. Grootveld bekritiseerde de ziekelijke consumptiezucht met zijn anti-rook-acties. De ‘witte plannen’ voor deelfietsen en later ook elektrische auto’s – ‘witkarren’ – gingen in tegen onnodig privébezit. Na de opheffing van Provo in 1967 zetten de ‘kabouters’ deze lijn voort met een ‘kabouterwinkel’. Daar konden mensen biologische voeding kopen. Provo zette de aanzwellende kritiek op de consumptiemaatschappij onder stroom en bewees daarbij een uitstekend gevoel voor symboliek.

Provo’s met provo bakfiets bij het kantoor van de hoofdcommissaris. 14 augustus 1965, Amsterdam. Nationaal Archief

De sigaret en de auto waren sprekende voorbeelden van de ongekende welvaart die mensen in Nederland en omringende landen vanaf de jaren 1950 ten deel viel. De toename van productie en wereldwijde handelsstromen, die John McNeill en Peter Engelke de ‘grote versnelling’ hebben genoemd[3], leidde tot een snelle groei van de materiële welvaart. Een auto, koelkast, stofzuiger en wasmachine kwamen voor de meeste Nederlandse gezinnen binnen handbereik. Voeding en genotsproducten als sigaretten werden minder grote kostenposten.

Dit ging van meet af aan gepaard met afkeuring. Mensen in andere delen van de wereld betaalden de prijs voor de westerse welvaart in de vorm van hongerlonen en armoede, doordat rijke landen elkaar als handelspartners voortrokken. Het milieu had zwaar te lijden onder de industriële productie en de intensieve landbouw en veehouderij. Conservatieve en progressieve critici vonden elkaar in de kritiek op een vermeend verlies aan authenticiteit: massaproductie zou alle consumenten gelijkschakelen en hen ertoe aanzetten zich in platvloerse consumptie te verliezen.[4]

Zorgen voor de dag van morgen

Met initiatieven als het witte fietsenplan sloten Provo’s aan bij deze zorgen. De weerklank van hun acties was des te groter omdat ze de nadelige gevolgen voor de welvarende consumenten zelf vooropzetten. Hun eigen gezondheid (‘uche uche!’) en veiligheid (‘bram bram!’) stonden op het spel. Zo klonk het in het witte fietsenplan:

‘De asfaltterreur van de gemotoriseerde bourgeoisie heeft lang genoeg geduurd. Dagelijks worden mensenoffers gebracht voor de nieuwste autoriteit waaraan het klootjesvolk zich heeft overgeleverd: de auto-autoriteit. De verstikkende koolmonoxyde is zijn wierook, zijn beeltenis verpest in duizendvoud grachten en straten.’[5]

In de jaren 1970 zou de zorg om de gevolgen van de ‘grote versnelling’ voor de planeet rondom de publicatie van Grenzen aan de groei, Blauwdruk voor overleving, oliecrises en internationale milieuconferenties voorop komen te staan. De acties van Provo herinneren aan een langere geschiedenis van consumptiekritiek, die zorgen over de gevolgen voor mens en milieu combineerde.

Provo’s kritiek gericht op het eigenbelang van de westerse consument, maakt wellicht een minder sympathieke indruk dan de meer altruïstische zorgen om de gevolgen voor mensen in andere delen van de wereld en het milieu. Toch is de door Provo zo effectief gearticuleerde kritiek buitengewoon relevant. In de eerste plaats bleef deze zorg om de gevolgen van de welvaartsexplosie ook na de jaren 1960 een cruciale onderstroom in de pogingen om een duurzame samenleving te realiseren. Wanneer de eigen gezondheid of portemonnee in het geding waren, waren mensen in rijke landen het vatbaarst voor oproepen om duurzamer te consumeren.[6] Bovendien herinneren het witte fietsenplan en vergelijkbare initiatieven eraan dat naoorlogse welvaartsstijging niet alleen andere mensen en het milieu benadeelde, maar ook de levensomstandigheden ondergroeven van wie er op het eerste gezicht van profiteerden.

Peter van Dam is hoogleraar Nederlandse geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is gespecialiseerd in onder andere de geschiedenis van het activisme en het maatschappelijk initiatief.

[1] ‘“Niet op reageren” lijkt politie het beste’, Parool, 29 juli 1965, 1.

[2] Niek Pas, Provo: Mediafenomeen; Piet de Rooy, Alles! En wel nu! De geschiedenis van de jaren zestig (Amsterdam: Wereldbibliotheek, 2020) 22. Vgl. Chris Hietland, ‘Het imaazje van Provo: Vijftig jaar later’, Tijdschrift voor Geschiedenis 129:3 (2016): 433-446.

[3] J.R. McNeill en Peter Engelke, The Great Acceleration: An Environmental History of the Anthropocene since 1945 (Cambridge: Belknap, 2014).

[4] Andreas Wirsching, ‘From Work to Consumption. Transatlantic Visions of Individuality in Modern Mass Society’, Contemporary European History 20:1 (2010): 1-26.

[5] Provokatie no 5 (1965).

[6] Peter van Dam en Jon Verriet, ‘Working Out a Sustainable Diet: The Contested Ethics of Food Consumption in the Netherlands, 1960–85’, Journal of Contemporary History 58:2 (2023): 334-353.

Historici.nl
Het KNHG is de grootste organisatie van professionele historici in Nederland. Het biedt een platform aan de ruim 1100 leden en aan de historische gemeenschap als geheel. Word lid van het KNHG.
Historici.nl
Het Huygens Instituut beoogt de Nederlandse geschiedenis en cultuur inclusiever maken. Het ontsluit historische bronnen en literaire teksten en ontwikkelt innovatieve methoden, tools en duurzame digitale infrastructuur.