Historici.nl





#opstand
#cultuur en kunst
#politiek en bestuur
#maatschappij
#wetenschap en techniek
#oorlog en krijgsmacht
#economie en financiën
#kerk en religie
#overzeese gebieden
#erfgoed
#scheepvaart
#onderwijs
#archieven
#kolonialisme
#Tweede Wereldoorlog
#recht
#gender
#inclusiviteit
#slavernij
#natuur en milieu
Gepubliceerd op 23-03-2020

Dossier Virussen & Bacteriën – Een pandemie is te temmen – longread

Voor Historisch Nieuwsblad (20 maart) schreef Beatrice de Graaf onderstaande longread over de bestrijding van het coronavirus in het licht van historische pandemieën.

 

Een pandemie is te temmen

Al eeuwenlang raast af en toe een pandemie over de wereld. In de strijd tegen covid-19 kunnen we leren van vroegere voorbeelden. Dat geldt zeker voor de goede internationale samenwerking in de negentiende eeuw. Dankzij uitwisseling van kennis en kunde wisten regeringen en wetenschappers veel ziektes te verslaan.

In het jaar 810 luidden overal de klokken en gingen priesters rond met kleppers. Drie keer per dag werd een mis gevierd. Alle inwoners van het rijk van keizer Karel de Grote kregen het bevel te bidden en boete te doen ter voorkoming van een verdere uitbraak van de runderpest, pokken en hongersnood. Ook kondigde de keizer een vastendag aan, en beval hij zijn bisshoppen processies te houden om God gunstig te stemmen. Blijkbaar dacht men dat het hielp. De overlevering wil dat toen de Vikingen de nazaten van Karel de Grote een aantal jaren later belaagden en Parijs hadden omsingeld, een verschrikkelijke ziekte in hun gelederen uitbrak. Van de Franken hoorden ze dat vasten en bidden hielp. Ze luisterden, lieten hun krijgsgevangenen vrij, overleefden de veldtocht, en namen het christelijke geloof mee terug naar het noorden – tenminste, zo wil de mythe.

In tijden van grootschalige ziektes en mysterieuze plagen waren er maar twee opties, zo dacht de toenmalige Europeaan: je gaf je over aan God of aan de dood. Alle middelen ter voorkoming en genezing stonden in religieuze tradities. Mensen riepen de zon, de maan en de sterren aan, brandden kruiden, baadden in rozenwater of azijn, en bovenal, brandden kaarsjes en deden boete. Op het hoogtepunt van de Zwarte Dood in de veertiende eeuw raakte menigeen zo buiten zinnen, dat hij met anderen in optocht door de straten liep en het eigen lichaam met zwepen kastijdde.

Dierenziektes springen over

Rampen, ziektes en pestpandemieën waren een terugkerend verschijnsel vanaf de Oudheid. Eigenlijk al vanaf de tijden dat mensen in jager-verzamelaarsgroepen door de wereld trokken. Met de beschaving kwam de verspreiding en de onderlinge besmetting van ziektes. Met het domesticeren, het temmen van wilde dieren, of het jagen ervan, kwamen de zogeheten ‘zoönotische ziektes’ de wereld in. Dat zijn infectieziektes die overspringen van dieren op mensen. Van ratten, vlooien of vleermuizen bijvoorbeeld.

Eigenlijk konden die ziektes maar op twee manieren uitgroeien tot pandemieën: door oorlog en door handel. Dat zijn immers de momenten dat er een versnelde, intensieve en vooral ongecontroleerde mengelmoes van mensen ontstaat. In Le roi et la nature (2019) legt de Franse historicus Jean-Pierre Devroey uit dat dit soort ziektegolven, net als in de tijd van Karel de Grote, vaak het gevolg van stapeleffecten waren. Het waren optelsommen van factoren die elkaar versterkten. Het kon beginnen met een kleine temperatuurstijging, waardoor een bepaalde parasiet goed gedijde. Daardoor mislukte de graanoogst en ontstond hongersnood, waardoor mensen vatbaarder werden voor ziektes. In tijden van oorlog vielen ook gezonde eet- en leefpatronen weg, net als de controle, de goede gezondheidszorg en het toezicht op uitbraak en verspreiding. Vanaf de Peloponnesische oorlogen via de brandschatting van Rome tot aan de Eerste Wereldoorlog zijn oorlogen de grootste ziekmakers.

Flagellanten. De broeders van het kruis proberen de stad Doornik van de pest te bevrijden, 1349

Maar handel kan er ook wat van. De Zwarte Dood in de veertiende eeuw, nog steeds de meest dodelijke ziekte in de geschiedenis van de afgelopen 2000 jaar, kwam via Azië en China, via handelsroutes naar Europa. Twaalf scheepslieden brachten de ziekte in Genua aan land. De havenmeester had het te laat door. Toen hij de boot met dode scheepslieden, bezaaid met enge bulten terugstuurde, was het al te laat. Een derde van de bevolking van het Midden-Oosten had de pest toen al op zijn geweten. Daarna volgden nog 25 tot 50 miljoen Europeanen, tussen 30 en 60 procent van de bevolkingen van toen.

Ruimte voor vernieuwing

Wat de gevolgen van dit soort pandemieën en pestilenties waren, is lastig vast te stellen, omdat er weinig onderzoek naar is gedaan. Over de pest in de vroege Middeleeuwen wordt gezegd dat hij tot apocalyptische geloofspatronen en massale bekeringen leidde. En misschien zelfs tot het vertrek van bijvoorbeeld de Vikingen. Door de Zwarte Dood waren er zo weinig gezonde mensen over dat de weinige boeren en lijfeigenen die er nog waren, daarna door hun heren beter werden behandeld. Ook voor de Spaanse Griep in 1918 gold dat de beroepsbevolking in bijvoorbeeld de VS zodanig was verkleind, dat er meer ruimte kwam voor werktijdverkorting en voor hogere lonen en er meer mogelijkheden voor vrouwen waren om een baan te krijgen. Tegelijkertijd lijkt er ook een direct verband te zijn met het aantal slachtoffers. Pas als circa één procent van de bevolking door een pandemie geveld wordt, komt er ruimte voor vernieuwingen. Die cijfers werden gelukkig slechts sporadisch gehaald.

Geloof in wetenschap

Voor onze huidige crisis is vooral de negentiende eeuw interessant. In deze eeuw maakten onkunde en bijgeloof plaats voor wetenschap. Maar ook de onderlinge contacten, het verkeer en de handel namen toe: de stapeling van factoren die de verspreiding van infectieziektes juist bevorderde.

In deze eeuw braken drie gruwelijke pandemieën uit. Na de Napoleontische oorlogen staken de cholera, tyfus en de pest hun akelige kop weer op. Ten tijde van de Krimoorlog in 1855 greep de pest opnieuw om zich heen. In Utrecht stierven in de negentiende eeuw nog zo’n 65.000 mensen aan de cholera, alleen al 20.000 in 1866. En tot slot brak in het laatste jaar van de Eerste Wereldoorlog de Spaanse Griep uit – de ergste pandemie sinds de Zwarte Dood. Ook hier was sprake van het stapeleffect van Devroey. Miljoenen mensen uit alle contitenten botsten met geweld op elkaar. Eén procent van de Amerikaanse bevolking stierf aan de Spaanse Griep, wereldwijd crepeerden 40 miljoen mensen.

Toch is de negentiende eeuw ook de eeuw die de basis legde onder het huidige systeem van pandemiebestrijding. In deze eeuw kwamen mensen tot de ontdekking dat je je niet aan de dood hoeft over te geven of aan allerlei vormen van bijgeloof. Maar dat nieuwe wetenschappelijke en logistieke uitvindingen en expertise dit soort rampen konden temmen. Overgave aan de Grote Bestierder, aan het Noodlot of aan de Dood was niet langer nodig. Je hoefde niet te geloven in een ‘wereld van fataliteit’, maar kon met eigen kennis en kunde nieuwe zekerheden scheppen in tijden van crisis.

Eerste internationale samenwerking

In de negentiende eeuw waren er twee bevolkingsgroepen die hielpen de kennis en kunde over pandemieën te verdiepen, en die bijdroegen aan een revolutie in de omgang ermee: journalisten en wetenschappers. Als eersten waren er dappere journalisten, gedreven door burgerplicht, christelijke naastenliefde en ook gewoon weetgierigheid. In Londen was dat bijvoorbeeld Edwin Chadwick, die door had dat tyfus, tbc en scheurbuik te maken hadden met slechte voeding, gebrekkige hygiëne en afwezigheid van schoon water en riolering.

Hij liet zien dat epidemieën en pandemieën een gevolg van handel en oorlog waren, maar door ongelijkheid en armoede werden versterkt. Aan de ongelijkheid in de omgang met hygiëne, drinkwater en riolering moest dus iets gebeuren. Van een geloof in allerlei exotische verklaringen – miasma’s, getijden, sterren of geuren – verschoof de aandacht van de behandeling van infectieziektes naar de voorkoming ervan. Er kwam oog voor de vermindering van besmetting en de verbetering van hygiëne, leefomstandigheden en gedrag.

Interessant genoeg waren het vaak socialisten, sociaal-democraten en christen-socialisten die deze beweging aanzwengelden en aandacht vroegen voor de verbetering van gezondheid van kinderen en vrouwen. Het kinderwetje van Sam van Houten en het werk van Aletta Jacobs stonden ook in die bredere traditie van verheffing en verbetering van de volksgezondheid.

Chadwicks werk leidde tot de Volksgezondheidwet in Engeland in 1848. Dankzij hem investeerde de regering in preventie door mensen te onderwijzen in goede hygiëne. Dat was ook nodig, want de uitbraak van infectieziektes en de verdere verspreiding hingen (en hangen) samen met bevolkingsdichtheid en leefomstandigheden. Ook in Nederland maakten Chadwick en zijn Sanitary Movement indruk. Mede door zijn gezondheidsbeweging nam ook Johan Rudolph Thorbecke het besluit een Wet tegen Besmettelijke Ziektes in te voeren. Die kwam er in 1872: gemeentes, gildes en stadbesturen moesten verplicht meewerken aan hygiënemaatregelen in tijden van epidemieën.

Edwin Chadwick

Dit paste ook in de opkomst van een nieuw cultureel paradigma in de omgang met ziekte, arbeid en bevolkingspolitiek. Je zou het ‘biopolitiek’ kunnen noemen. Overheden begonnen zich onder druk van de arbeidersbeweging en de gezondheidsbeweging te bekommeren om het lot van mensen in deplorabele leefomstandigheden. Verbetering van de volksgezondheid op zich was daarbij niet het enige doel. Het ging ook om ‘surveillance’, een gezonde bevolking leverde meer werkkrachten op. De omvang van de bevolking kon dankzij geboorte- en sterftecijfers, statistieken over leefomstandigheden, ook beter worden gemanaged en gecontroleerd.

Door de Industriële Revolutie en diverse wereldwijde oorlogen en conflicten kwamen steeds meer mensen met elkaar in aanraking. Ziektes verspreidden zich via trein en stoomschepen razendsnel over continenten. Tegelijkertijd verspreidde ook kennis zich steeds sneller. Dankzij kritische journalisten en experts in Duitsland, Frankrijk, Amerika en Nederland verschenen er allerlei rapporten over deze ziektes. Want dat was eveneens een patroon: met handel en oorlog reisden niet alleen ziektes mee, maar ook kennis, waaronder medische. Dat was al ten tijde van de ontdekkingsreizen het geval, maar in de negentiende eeuw ging die kennisuitwisseling nog sneller.

Dankzij de nieuwe internationale diplomatie van na 1815 stonden diplomaten en experts sowieso meer met elkaar in contact. Het waren deze mensen, consuls, diplomaten en civiele experts, die elkaar op de hoogte hielden en hun regeringen aanspoorden werk te maken van een gezamenlijke, Europese bestrijding van besmettelijke ziektes.

Europese doorbraak

In 1851 overtuigden ze de Europese leiders ervan een grote Internationale Gezondheids en Hygiëne Conferentie te organiseren. Dat was de eerste keer dat landen officieel kennis uitwisselden en afspraken maakten. Eerst vooral over hygiëne, lazaretten en quarantainevoorzieningen. Maar daarna ook over logistiek en inspecties. Vaccins waren er nog niet, bacteriologie stond nog in de kinderschoenen, maar ‘social distancing’ en quarantaine waren wel bekende middelen. Quarantaine was al bedacht en toegepast in de Middeleeuwen, maar slechts op kleine schaal, en lang niet iedereen geloofde erin.

In de negentiende eeuw waren er twee bevolkingsgroepen die hielpen de kennis en kunde over pandemieën te verdiepen: journalisten en wetenschappers.

Nu voegden de mogendheden de daad bij het woord. Ze gebruikten hun imperiale gewicht om in alle doorvoerhavens, in de buurt van de vuurtorens, aanleghavens te creëren waar schepen konden worden geïnspecteerd, en quarantainestations en lazaretten werden ingericht. Die lazaretten en quarantainehavens waren er eerder ook al wel, zoals in Marseille, Toulon, en langs de grenzen van het Ottomaanse Rijk. Maar nu richtten de grote Europese mogendheden ook een officiële commissie op, de Internationale of Constantinopel Commissie voor Gezondheid, die richtlijnen uitvaardigde en diplomaten en kapiteins hielp elkaars waren en schepen te inspecteren. En dus vooral bedoeld was om de grenzen van Europa ook tegen ziektes te beschermen. Er kwamen speciale ‘hygiënepaspoorten’ (‘health bills’) en gestandaardiseerde kwaliteitscontroles. Ook werd gezamenlijk afgesproken hoelang een quarantaine moest duren. Het systeem werd gedifferentieerd toegepast. Een schip uit een ‘gezond’ land hoefde korter in quarantaine (twee weken) dan uit een land waar de gezondheidssituatie twijfelachtig was. Zo ontstond langzaam een professionele, epidemiologische barrière langs de grenzen van Europa.

De volgende doorbraak kwam dankzij wetenschappers. Zij ontdekten de veroorzakers van een aantal ziektes. In de jaren veertig had Ignaz Semmelweis, een Hongaarse arts, al ontdekt dat handen ontsmetten hielp tegen de verspreiding van besmettelijke ziektes. Daarmee legde hij de basis voor antiseptisch onderzoek. En de arts en grondlegger van de moderne epidemiologie, John Snow, had in 1854 ontdekt dat afsluiting van een waterpomp op de Londense Broadstreet hielp om een cholera-epidemie te stoppen. De Duitse Robert Koch ontdekte de veroorzakers van cholera, antrax en tbc en legde de basis voor de bacteriologie in de jaren 1880.

Daarna ontdekten onderzoekers uit de hele wereld antilichamen. Ze ontwikkelden vaccins, eerst tegen koepokken (1796) en hondsdolheid (1885), daarna tegen cholera (1896), difterie (1923), tbc (1921), gele koorts (1937), verschillende vormen van griep (1940s) en polio (1950s). In Nederland was het een gewone huisarts, H.J.M. De Schoo, die in 1905 een plan tegen malaria ontwikkelde. Deze ziekte maakte in Noord-Holland in de jaren veertig van de twintigste eeuw nog steeds duizenden slachtoffers. Met geld van de Rockefeller-foundations werden malariabrigades opgetuigd.

De regeringen volgden op de voet: In 1907 werd het Office International de l’Hygiène Publique opgericht, in 1923 de Health Organisation of the League of Nations en in 1948 de WHO.

Terug bij af?

Waar staan we nu? We hebben tegenwoordig zoveel meer inzicht, kunde en kennis over bacteriën en virussen dan in de negentiende eeuw. We weten dat grote ongecontroleerde mensenstromen, oorlogen en handel de kans op uitbraak verhogen. Maar wat doen we met de kennis die dankzij journalisten, wetenschappers, ngo’s, Rode Kruis en andere vrijwilligersorganisaties wordt verspreid? Helaas te weinig.

Bill Gates wees er in 2015 al op. Hij hield een presentatie over de Ebolacrisis. Dat was ook zo’n epidemie die in West-Afrika aanvankelijk in oorlog en conflictsituaties kon voortwoekeren en gedijen. De kennis om het virus te bestrijden was er, maar er gebeurde niets. Zoals gezegd, epidemieën en pandemieën vergroten ongelijkheid. Burgers in armoede en crisis, zonder verzekering en toegang tot goede medische verzorging, trekken aan het kortste eind. Net als in Syrië, waar in 2013 poliobesmettingen opdoken, omdat de regering-Assad ervoor koos ziekenhuizen te bombarderen en vaccinprogramma’s aan banden legde voor de gebieden waar de oppositie zat. En sowieso verheimelijkte dat polio weer terug was. Dat werd pas ontdekt, nadat ontlastingsmonsters van kreupele kinderen naar Turkije waren gesmokkeld en daar werden getest.

De kennis om het Ebolavirus te bestrijden was er, maar er gebeurde niets.

Hoe werd de Ebolacrisis uiteindelijk getemd en hoe kwam de SARS-epidemie onder controle? Ten eerste door een systeem op te zetten van monitoring en controle. Overheden brachten in kaart wie waar wanneer besmet raakte. Het liefst internationaal, maar vooral ook lokaal. Ten tweede, door te investeren in kennis, onderwijs en medische zorg aan de basis, structureel, en continu. Door teams in te richten die meteen in actie komen bij het eerste teken van uitbraak. Dat is wat huisarts De Schoo kon doen met zijn malariabrigades in het Interbellum. Dat is waar de Bill & Melinda Gates Foundation in heeft geïnvesteerd, waardoor er nu bijvoorbeeld in Nigeria een redelijk functionerend systeem van lokale gezondheidsteams en vaccinatiebureaus is ontstaan. Dat is ook wat ze in Hong Kong en Singapore hebben geleerd tijdens de SARS-crisis. Daardoor staan er nu standaard teams klaar met verpleegkundigen, tests en inentingsexperten.

Dit soort grass root-bewegingen, ten derde, moeten worden gefaciliteerd en aangemoedigd. Er moeten ‘communities of disease control’ ontstaan. En de bevolking moet bereid zijn zich te laten vaccineren en onderzoeken.

Hoe zit dat in onze landen? De WHO monitort, maar voert niet uit. Het zijn sinds de negentiende eeuw de nationale staten die de uitvoering van gezondheidsprogramma’s verzorgen. We leveren ons daarmee uit aan de overheid. Dat is goed, zo lang die overheid op experts vertrouwt. En er kritische meedenkers, journalisten, artsen, experts zijn, die hun kennis mogen delen en die niet de mond wordt gesnoerd, zoals in China. Gelukkig is er in Nederland een outbreak management-team, onder voorzitterschap van RIVM. Tot op het hoogste politieke niveau (Ministeriele Commissie Crisisbeheersing; MCCb) zit Jaap van Dissel (RIVM) aan tafel.

Maar één enkele overheid kan het niet alleen, zeker niet in een tijd waarin technologie, transport, verkeer en handel zo intensief zijn. Net als in de negentiende eeuw is er een internationaal systeem nodig van quarantaine en controle, in combinatie met een bevolking die meewerkt. Denk nu niet dat dat niet kan.

Samenwerken en ongelijkheid tegengaan

Op het hoogtepunt van de Koude Oorlog werkten twee excentrieke en dappere wetenschappers – een Amerikaan en een Rus – samen aan een vaccin tegen polio. De ziekte hield huis aan beide zijden van het IJzeren Gordijn en verlamde duizenden kinderen voor altijd. De Amerikaanse viroloog Albert Sabin ontdekte een vaccin, maar had de middelen en de mensen niet om dat te testen. Mikhail Chumakov nodigde hem uit om naar de Sovjet-Unie te komen, en om het daar uit te proberen. Hij had immers genoeg Russen die hij dankzij zijn centralistische overheid mocht inzetten voor zijn experimenten. Ja, Moskou onderwierp zijn bevolking aan een experiment, en vond zo een vaccin uit. Samen ontwikkelden ze zo het Sabin-Chumakov vaccin, dat effectief polio uit Rusland, Europa, de VS en Japan verdreef.

De geschiedenis leert ons dat je met kennis en kunde aan het langste eind trekt. Dat pandemieën getemd kunnen worden. De geschiedenis leert ons ook dat internationale samenwerking die schade kan beperken wanneer de pandemie nog woedt. Samenwerken betekent: samen testen, experimenteren, meewerken, kennis delen, geen feiten achterhouden. Op Europees niveau wordt nu gelukkig veel informatie gedeeld. Het Europees Centrum voor ziektepreventie en –bestrijding in Stockholm speelt daarin een belangrijke rol. Dit centrum voert ‘rapid risk/outbreaks assessments’ uit, bijvoorbeeld in schepen, vliegtuigen en urbane gebieden.

Binnen de WHO werken de Europese landen eveneens samen, wat eerder al tot een succesvolle bestrijding van de twee Ebola-epidemieën, Zika en SARS heeft geleid. Verder is er dagelijks meerdere keren contact met vertegenwoordigers van de verschillende lidstaten: nu vooral met de EU, Nordrhein-Westfalen, Niedersachsen en de nationale crisiscentra van België en Duitsland. De lidstaten hebben nog steeds de vrijheid om een eigen afweging te maken en een eigen aanpak te kiezen. Tegelijkertijd trekken ze waar mogelijk gezamenlijk op, zoals met het inreisverbod aan de buitengrenzen van Schengen.

In quarantaine tijdens de Spaanse Griep

Samenwerken betekent ook ongelijkheid in de strijd tegen de pest, de influenza of corona tegengaan. Je inzetten voor mensen in gebieden, in grote steden, die in armoede leven en niet voor zichzelf kunnen opkomen. En daarin ook investeren: door mensen als Rockefeller en Bill Gates, maar ook door onze eigen rijke landen.

De vraag voor ons nu is, wat is onze onderliggende ‘biopolitiek’? Volksgezondheid is een doel op zich, maar daaraan gekoppeld gaat het altijd om meer, om politiek, economie en cultuur. In Nederland wordt door de regering nadrukkelijk gesteld dat in onze nationale aanpak van het coronavirus de zorg voor kwetsbare mensen centraal staat. Door ‘de piek uit te smeren’, hoopt de regering dat de zorg niet overbelast raakt, ziekenhuizen niet aan triage hoeven doen en de meest kwetsbare mensen gered kunnen worden. Ook financieel-economisch zijn er grote hulpprogramma’s opgetuigd ter verzachting van de effecten die zich voordoen op plekken waar hulp het hardst nodig is. De vraag is de komende tijd hoe die solidariteit gaat uitpakken. Covid-19 is geen Zwarte Dood, Spaanse Griep of Ebola, het is een infectieziekte die vooralsnog geen hoge ogen in de gruwelstatistieken van de geschiedenis lijkt te gaan scoren. Binnen een jaar of anderhalf zal er een vaccin zijn. Is het mogelijk om binnen die periode het leed eerlijk te verdelen?

In feite had Karel de Grote die intuïtie ook al. Hij liet missen opdragen en kerkklokken beieren. Maar hij riep alle ridders en leenheren in heel Europa ook op hun kastelen en graanschuren te bevoorraden en goederen en zorg gratis aan de armen uit te delen. Om de goden gunstig te stemmen? Ja, maar ook om honger en ziekte onder controle te krijgen, het leed eerlijk te verdelen en zijn rijk rechtvaardig te houden.

Beatrice de Graaf is hoogleraar geschiedenis aan de Universiteit Utrecht.Met dank aan Leen Dorsman, Hans van den Kerkhof, Erik de Lange, Carine van Rhijn, Willemijn Ruberg en Herman Wiersema.

Literatuur
Alison Bashford, Purity and Pollution. Gender, Embodiment and Victorian Medicine, New York 1998.
Willem de Blécourt, Willem Frijhoff en Marijke Gijswijt-Hofstra, Grenzen van genezing. Gezondheid, ziekte en genezen in Nederland, zestiende tot begin twintigste eeuw, Hilversum 1993.
Joseph Byrne, Encyclopedia of Pestilence, Pandemics, and Plagues, Westport 2008.
Frederick C. Cartwright, Disease and History, Londen 2014.
Alexander Chase-Levinson, ‘Early nineteenth-century Mediterranean Quarantine as a European system’, in: A. Bashford (red.), Quarantine. Local and global histories, Londen en New York 2016, 35-53.
J.-P. Devroey, La nature et le roi. Environnement, pouvoir et société à l’âge de Charlemagne (740-820), Paris 2019.
Mary Dobson, Disease: The Story of Disease and Mankind’s Continuing Struggle Against It, Londen 2007.
Bill Gates, ‘The next outbreak? We’re not ready’, Ted-talk, 3 april 2015, https://www.ted.com/talks/bill_gates_the_next_outbreak_we_re_not_ready?language=en.
Thomas Garrett, Economic Effects of the 1918 Influenza Pandemic. Implications for a Modern-day Pandemic, St Louis 2007.
Mark Harrison, ‘Disease, diplomacy and international commerce: the origins of international sanitary regulation in the nineteenth century’, Journal of Global History, (2006) 1, 197–217.
Piet ’t Hart, Utrecht en de cholera, 1832-1910, Zwolle 1990.
Erik de Lange, Menacing Tides. Security, Piracy and Empire in the Nineteenth-Century Mediterranean, Utrecht 2020.
R.A. Lewis, Edwin Chadwick and the public health movement, 1832–1854, Londen 1952.
William McNeill, Plagues and People, New York 1976.
Laura Spinney, De Spaanse griep. Hoe de pandemie van 1918 de wereld veranderde. Vertaald door Auke Leistra. Amsterdam 2018.
Francois Walter, Catastrophes – Une histoire culturelleXVIe- XXIe siècle, Parijs 2008.

Beatrice de Graaf
Beatrice de Graaf is voormalig bestuurslid van het KNHG en hoogleraar Geschiedenis van de Internationale Betrekkingen en faculteitshoogleraar aan de Universiteit Utrecht. Ze is gespecialiseerd in (de strijd tegen) terrorisme, oorlog en geweld. In 2018 werd haar werk bekroond met de Stevinpremie, de hoogste Nederlandse wetenschappelijke onderscheiding.
Alle artikelen van Beatrice de Graaf
Historici.nl
Het KNHG is de grootste organisatie van professionele historici in Nederland. Het biedt een platform aan de ruim 1100 leden en aan de historische gemeenschap als geheel. Word lid van het KNHG.
Historici.nl
Terug naar de bron: de geschiedenis ontrafeld met nieuwe technologie. Dat is de missie van het Huygens ING, een onderzoeksinstituut op het gebied van geschiedenis en cultuur.